đŸ‡łđŸ‡±đŸ‡ŹđŸ‡§đŸ‡©đŸ‡Ș

Welkom!

Welkom bij het Openluchtmuseum Ootmarsum. Om makkelijk uw weg te vinden op het terrein van ons museum, kunt u gebruik maken van deze pagina op onze website. U vindt hier een plattegrond met daarop afbeeldingen van de 22 gebouwen. Door te klikken op een gebouw, wordt er een beschrijving van het gebouw getoond die u desgewenst ook kunt afspelen. Onder elke beschrijving staan meestal nog enkele aanklikbare kleine foto's. Aanvullende verhalen en filmpjes worden dan afgespeeld.

Uw huidige lokatie op het terrein wordt weergegeven met een blauwe cirkel. Door de vele bomen op ons terrein is er vaak een flinke afwijking in de GPS. Hoe groter de afwijking, hoe groter de blauwe cirkel. Als de aanwijzing nauwkeurig genoeg is en u bent dicht in de buurt van een van de gebouwen, dan wordt het betreffende gebouw geselecteerd. De bijbehorende tekst wordt voorgelezen. Bij de instellingen kunt u aangeven wat uw voorkeuren zijn.

Bij de meeste gebouwen wordt een looproute voorgesteld om naar het volgende gebouw te wandelen, uiteraard is dit slechts een suggestie.

Deze pagina heeft alleen de volledige functionaliteit als u op het museumterrein bent. Na uw bezoek kunt u thuis alle verhalen gedurende een week nog eens rustig nalezen.

Klik hier voor een beknopte handleiding

Uw locatie is nog onbekend


Scan deze QR-code bij de andere smart-phones in uw gezelschap.
Tip: Wilt u de Wegwijzer tijdens uw bezoek gemakkelijk terugvinden? Zet hem dan op uw beginscherm.
Molenhuisje en papiermolen
Molenhuisje en papiermolen op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Molenhuisje en papiermolen

Het enige gebouw in het park dat de status van rijksmonument heeft, is het molenhuisje. Het molenhuis stamt uit 1450. Het woonhuis is in 1810 door de Drost verkocht en werd in 1960 eigendom van de gemeente. Tot 1860 zat aan dit molenhuis een watermolen vast die met het rad in de “molenbeek” draaide. Het was een korenmolen. De molen werd gevoed door een grote molenkolk en was een bovenslagmolen. Dat wil zeggen dat het water van boven op het molenrad viel. De molen stond bekend als de voorste molen. De achterste molen bevond zich nabij de vijvers aan de achterzijde van het Commanderieplein. Beide molens behoorden bij het kasteelcomplex dat zich op deze plek bevond. Het molenhuisje is het enige gebouw dat van dit landgoed is overgebleven. Beide molens waren dwangmolens. Pachters van het kasteel waren gedwongen hun rogge bij deze molens te laten malen. Ze moesten daarvoor uiteraard meer betalen dan bij de vrije molen in de stad. De boer die ‘s ochtends het eerst bij de molen kwam was ook het eerst aan de beurt. “Wie het eerst komt, het eerst maalt”.

Papiermolen

Het gebouwtje is een verkleinde uitgave van de watermolen die hier vroeger stond. Nu wordt getoond hoe tweehonderd jaar geleden papier werd gemaakt. Papier werd toen gemaakt van lompen met een hamerbak die aangedreven werd door waterkracht. Dat gebeurde in Twente de in het natuurgebied Het Springendal. De Drost Van Heiden-Hompesch, die hier op de voormalige Commanderie Ootmarsum woonde, bezat hier 5 papiermolens.

Waterrad

Het waterrad is een onderslag-rad. Het rad heeft schoepen en gaat draaien door de stroming van het water. De schone energie werd gebruikt om de hamerbak aan te drijven die de lompen tot pulp sloeg. In een schepbak schepte de papiermaker de pulp op doormiddel van een schepraam en dit blad van pulp werd afgelegd op een vilten mat, geperst en gedroogd. Een wereld zonder papier kunnen we ons nu niet meer voorstellen.
PapiermolenOp deze verkleinde uitgave van de watermolen die hier vroeger stond, worden regelmatig demonstraties papierscheppen getoond.
PapierscheppenDemonstratiefilm papierscheppen.
Filmpje OogstdagOp de ambachtelijke Oogstdag wordt de rogge op verschillende manieren gemaaid.
Hoofdingang
Hoofdingang op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Hoofdingang

"Leu , kom d’rin dan kuj d’roet kieken. Mensen wees welkom, kom binnen dan kun je naar buiten kijken. Het museum is als "een" verhaal. Een verhaal over mensen; over waar en hoe ze woonden wat hen bezighield, wat ze aten, hoe ze sliepen ', 'hun gewoonten en ambachten, over 'taal en over gebruiken , over geloof, over armoede, strijd en rijkdom, van oorlog en vrede. Dit verhaal gaat over ridders, goastokken, noabers, baronnen, burgers en bisschoppen . Over textiel, over landbouw, geveltekens en klöpkes. Over bestuur en over ontwikkeling. En dat alles ter lering en vermaak. Opdat we weten wie we zijn en waar we vandaan komen, wat ons beweegt en misschien zelfs waarom.

Museum

Dit museum vertelt het verhaal van deze regio. Het land van de Tubanti, Twente : het land van Heeren en Boeren. Het plaatselijk dialect is een variant van het Nedersaksisch. Het Nedersaksisch is een officieel erkende streektaal . Het taalgebied omvat geheel Noord Duitsland tot de Poolse en over de Deense grens. In Nederland wordt Nedersaksisch gesproken in Groningen, Drenthe, Overijssel, zuid Friesland, de Veluwe en in de Achterhoek. In de middeleeuwen was het Nedersaksisch een zeer prominente taal het was de officiĂ«le voertaal van de Hanze. Als taal wordt het Nedersaksisch erg bedreigd. Nog slechts 25 procent van de volwassenen en 4 procent van hun kinderen, in het taalgebied spreekt Nedersaksisch. De laatste jaren is er weer meer waardering en interesse in de taal. Het succes van de regio soap Van Jonge Leu en Oale Groond is daar een voorbeeld van. Oh, ja een ‘ gieteling’ is een merel en als u geluk heeft ziet u misschien een ‘kateeker’ (een eekhoorntje)
Een mooie beleving van de historie van TwenteWelkom op ons Openluchtmuseum
Het museum is als een verhaalHet museum is als een verhaal. Een verhaal over mensen
Goodgoan“Volle geluk in ’n tuk” zegt men hier vaak wanneer je weggaat.
Weemhof
Weemhof op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Weemhof

De Weemhof lijkt het nieuwste gebouw op het terrein maar is in de kern een van de oudste. Het gebint, de dragende constructie, de houten balken stammen uit de 14e of 15e eeuw. Dit gebint is zoals gebruikelijk bij goed gebintwerk, verscheidende keren hergebruikt. Zo hebben de gebinten van 1969 tot 1997 deel uitgemaakt van het exclusieve restaurant ‘de Wanne’. De naam Weemhof is afgeleid van een weem of wheeme, een benaming voor een pastorie. De betekenis gaat terug tot het oud Friese wetheme dat kerkelijk bezit betekend. Veel dorpen en steden kennen wel een weemstraat en weem vindt u af en toe terug in achternamen zoals ‘oude nieuwe weme’. In het gebouw zie je wisselende exposities en kun je de korte introductie video over het museum bekijken. Ook vindt je hier het begin van de textielindustrie in Twente. Die textielindustrie gaf in de vorige eeuw werk aan vele duizenden mensen in de vele fabrieken die hier waren. Deze industrie begon al in de 18e eeuw in de boerderij, waar met name in de wintertijd de boer en de boerin -vaak van het eigen verbouwde vlas- garen sponnen op een spinnenwiel en tot linnenstof weefden op een weefgetouw. Het grote mozaïek is afkomstig van de Twentse Textielschool in Enschede waar het in 1952 in het schoolgebouw werd aangebracht. In 2017 verhuisde het kunstwerk van Nel Klaassen naar deze plek. Aan het historische weefgetouw is te zien hoeveel werk het was om een stof te weven. Weet je waar het spreekwoord “Op z’n elf en dertigst” vandaan komt? Wel op zo’n weefgetouw zit een ‘boom’ waar het garen op gespannen werd in 30 groepen van elk 100 draden. Door deze draden -de schering- steeds om en om omhoog en omlaag te laten gaan en er een spoel met een draad – de inslag- doorheen te laten schieten ontstond de linnen stof. Wanneer je een erg sterke stof wilde maken dan voegde je 11 groepen draden toe van 100 draden. Dat was veel werk en daardoor duurde het weven veel, heel veel langer. : alles wat langzaam gaat ging dus “op z’n elf en dertigst”. Als er wat te vieren viel, bijvoorbeeld als een boer iets jongs had, een jong kalf of een veulen dan schonk hij een borrel van rozijnen op brandewijn. Boerenjongens. De naam heeft niets met jongens te maken. Boerenmeisjes, abrikozen op brandewijn is een politiek correct verzinsel van latere datum. Als vroeger de kastelein je vertrouwde kreeg je wellicht krediet. Dan mag je de Boerenjongens opdrinken en later betalen. Hij noteert dan je schulden op een stok, doormiddel van het maken van inkepingen met een mes. De stok heet een kerfstok. Het spreekwoord “ Iets op de kerfstok hebben” is dan ook niet positief.
Kleine werktuigen
Kleine werktuigen op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Kleine werktuigen

In deze schuur worden kleine werktuigen tentoongesteld
Oogstschuur
Oogstschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Oogstschuur

Er wordt wel eens gezegd “Het Twentse land is gevormd door boerenhand”. Het coulisselandschap van akkers, weilanden afgewisseld met boomwallen, is typisch voor dit gebied. Het bewerken van land heeft door de jaren heen een grote ontwikkeling doorgemaakt. In vroeger jaren werd het land bewerkt met houten werktuig en met paardenkracht : later met tractoren en steeds meer machines. Er was gereedschap om te ploegen, om het land te bemesten, om te zaaien en om te oogsten. Begin van de vorige eeuw ontstond steeds meer de mechanische bewerking van het land en nu zien we grote zware machines, zoals combines die grote oppervlakten akkers heel efficiĂ«nt bewerken. Dat was vroeger wel anders : moeizaam handwerk met eenvoudige middelen. Sinds de prehistorie hebben mensen het land naar hun hand gezet. De ontwikkeling van de landbouw is hierin de drijvende kracht geweest. In tegenstelling tot de primitieve jager verandert de landbouwer zijn omgeving en heeft invloed op de natuur om hem heen. Aanvankelijk is de landbouwer verrijkend voor de natuur. Door de variatie in landschapstypen die door het menselijk ingrijpen ontstaan, komen er kansen voor nieuwe planten en diersoorten. De prehistorische volkeren die zich in deze regio, in de uitgestrekte oerbossen ophielden pleegden aanvankelijk een vorm van roofbouw. Op de stuwwallen en dekzandgronden werden de hoger gelegen delen van het oerbos platgebrand en op de ontstane akkertje werd tarwe verbouwd. Er werd geen bemesting toegepast, was de grond na een aantal oogsten uitgeput, dan werd er een nieuwe akker in het bos gemaakt. De oude akker werd als weide gebruikt voor varkens en kleine runderen. Het bos krijgt geen kans meer op de uitgeputte bodem en na verloop van tijd ontstaat op deze plekken de heide die, veel later, grote delen van Twente zal bedekken. Steeds meer hoger gelegen bos wordt gekapt voor weide en akkergrond. Een direct gevolg hiervan is een versnelde afvoer van water via de beekdalen die, in lagergelegen gebieden, voor overstromingen, broeklanden en moerasvorming zorgen. De erosie zorgt voor rijke beekdalen en na kap van de hier ontstane berkenbossen, voor bloemrijke hooilanden. De akkerbouw concentreert zich op de hoger gelegen delen. Hier ontstaan aaneengesloten landbouwgebieden de z.g. essen. Aan de randen van de essen vinden we de weilanden, de z.g. ‘Hooilanden’. Deze lagen bij voorkeur aan het water en dicht bij de boerderij. Deze weilanden werden rondom voorzien van hekwerk en begroeiing zoals knotwilgen. Het zijn de houtwallen die het Twentse landschap zo aantrekkelijk maken. Rond 800 na Chr. zijn hier de eerste dorpen en steden ontstaan. Het waren nog maar kleine eilandjes in een woest gebied. De bevolking bestond uit, aan de Saksen gelieerde stammen of familiegroepen, voornamelijk de Tubanti, naar wie deze streek is genoemd. Hun geloof vertoonde veel overeenkomsten met de noordelijke mythologie. Freya, Tyr, en Wodan waren de goden die werden vereerd. Tegenwoordig is in Twente nog steeds iets terug te vinden van die oertijd.
De oogstschuur – Vroege landbouwEr wordt wel eens gezegd “Het Twentse land is gevormd door boerenhand”. Het coulisselandschap van akkers, weilanden afgewisseld met boomwallen, is typisch voor dit gebied.
De oogstschuur - GereedschappenMet een houten ploeg en later een ijzeren ploeg, voortgetrokken door een os of door paardenkracht, werd het land bewerkt.
Schaapskooi
Schaapskooi op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Schaapskooi

In de schaapskooi hield de scheper, de schaapherder, zijn kudde. De kudde bestond vaak uit schapen van verschillende eigenaren. In de zomer waren zij te vinden op het veld, de gemeenschappelijke heidevelden. Rond 1800 bestond 80% van Twente uit heidevelden, wilde woeste gronden. De schapen zorgden ervoor dat de heide niet of overwoekerd raakte en bosgebied werd. De scheper kende de beste verhalen over de wezens in ’t veld over ‘de grieze veulens’, ‘de spookhazen’, ‘de hellehond’ en ‘de witte wieven’. Wief is vanouds het Twentse woord voor vrouw, pas onder invloed van de negatieve klank van het Hollandse wijf, zoals in viswijf, heeft het woord vrouw het wief verdrongen. Witte duidt op iets weten, op zuiver, op kennis. Een wit wief wordt dan een vrouw die veel kennis heeft. Deze vrouw wist alles van kruiden en was vaak de kraamvrouw. Als de koe ziek was dan werd het witte wief erbij gehaald en dan wist zij wat te doen. Soms was het wief een alleenstaande oudere vrouw en woonde zij op de heide of in het bos. Onder invloed van de heksenwaan een gemakkelijk doelwit. Tegenwoordig kun je een wit wief beter niet tegenkomen. Ze leven onder de grond in de oude grafheuvels waar ze grote drankfestijnen houden en jongemannen naar zich toe lokken. Om ze eeuwig op te sluiten. Als ze durven, negeren ze het gevelteken en komen ’s nachts in de boerderij om stiekem het bier te stelen. Gevaarlijk volk deze witte wieven.
Schaapskooi – Witte wievenIn de schaapskooi hield de scheper, de schaapherder, zijn kudde. De kudde bestond vaak uit schapen van verschillende eigenaren.
Schaapskooi – VlasEen dienstmeisje op het land had recht op een stukje land waarop zij vlaszaad kon uitzaaien. Dit voorrecht werd bedongen bij het aangaan van het dienstverband en vormde een deel van het loon.
Schaapskooi - WeefgetouwWeven was het winterwerk van de boer. De vrouw spinde de garen. De boer deed dit op een weefgetouw.
Tuffelkelder
Tuffelkelder op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Tuffelkelder

Rond 1750 doet de aardappel als gewas zijn intrede in Twente. Aanvankelijk moeten de boeren niets hebben van de aardappel, omdat de bessen en de stengel giftig zijn dacht men ook dat de knol ongezond was. Aardappel of tuffel kan men echter op braak liggend land verbouwen en met dit gewas konden 2 tot 3 maal zoveel mensen gevoed worden. Dat was bittere noodzaak aan het eind van de 18e eeuw. Aardappels moeten vorstvrij bewaard worden en om die reden werd een tuffelkeller of een tuffel-hel gebouwd. Een warm gat in de grond aan weerszijden omgeven door aarde en met stro en rieten maten geĂŻsoleerd. Naast de aardappels werd er in de kelder ook vaak andere oogst en fruit bewaard.
Smidse
Smidse op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Smidse

Elk dorp had zijn eigen wagenmaker en smid. Deze beiden werkten op bestelling en moesten goed kunnen samenwerken. De wagenmaker maakte de wielen en de smid de ijzeren hoepels die om de wielen kwamen. De wielen werden op de as vastgezet met een pal. De pal die tijdens het rijden onder grote druk komt te staan, voorkomt dat het wiel van de as af schiet. “Pal staan” , onverzettelijk zijn, is het bekende spreekwoord. IJzer heeft de vervelende eigenschap te krimpen als het afgekoeld wordt. De smid moet dus een vakman zijn om de hoepels precies pas te kunnen maken. Als ze te klein waren kwam je mooi te pas
. Men moet het ijzer smeden als het heet is. Je moet veel ijzers in het vuur hebben om door te kunnen werken. De schuur is er een van het type doorritschuur. Aan de ene zijde kan men de schuur binnen rijden en aan de andere zijde kan men uitrijden, zonder de wagen te hoeven draaien. Dokken maken Direct onder de pannen en op de panlatten werden bundels van stro gepakt. Die heten dokken. Het is het restant van de rogge. De volle lengte wordt een keer dubbel geslagen en met een paar strengen vastgeknoopt. Een precies werkje. Wanneer je dat niet goed doet loop het regenwater bij een zware bui naar binnen. En dan moet je dokken
. Veel machines waren aangesloten op een zo genaamde göbel. Aan deze rosmolen liep een paard. Dit zorgde voor de aandrijving. Het was voor een paard zwaar en saai werk er moest een constante kracht geleverd worden in een gelijkmatig tempo. Het paard had dan ook vaak oogkleppen op. Liep het paard te langzaam dan kon het lange haver krijgen : zweepslagen. Sommige boeren sprongen ruw om met hun paard. “ik bin lééver zien biebel as zien peerd. Ik ben liever zijn bijbel dan zijn paard, want daar kan hij niet op slaan.
Ambachtelijk smedenEen filmpje over het smeden tijdens een van de ambachtsdagen.
Los Hoes
Los Hoes op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Los Hoes

Het Los Hoes is een boerderijtype waarbij mens en dier in één ruimte samenleven. Hoes is huis en los in het Twents betekend onder andere open . Zo doe je hier de deur of het raam los. Er is ook wel gesuggereerd dat het “los” in “los hoes” “niet vast” betekend. Met andere woorden dat de boerderij verplaatsbaar was. De gebinten, het veerkante werk, de dragende constructie is immers op veldkeien gefundeerd en gemakkelijk te demonteren. Ook zou het voor de belasting als roerend goed aangemerkt worden. Dit is een fabel. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat sinds het midden van de 13e eeuw de Twentse erven zich min of meer op dezelfde plaats bevinden. Dit Los Hoes stamt uit 1664. Op 6 april van dat jaar gaven Lambert te Gronvelt en Tryne sin husfrow een zo geheten ‘richtersmoal ‘ om alle noabers te danken die bij het oprichten van de gebinten geholpen hadden. Dit verteld het opschrift in de niendeurboog. Met de rug naar de grote niendeur staande zien we aan de linkerzijde de koeienstal. Rechts stond het varken. Naast het varken was de weefkamer, daarachter de melkkamer. Aan de linkerzijde de bedsteden. De mensen waren kleiner maar sliepen vaak zittend. Men had het bijgeloof dat als men op de rug lag al het bloed naar het hoofd zou stromen en men zou sterven. Bovendien gaf zittend slapen verlichting voor de longen. Het beste aan een Los Hoes was de zolder. Hier werd de oogst opgeslagen. De zolder is afgedekt met ‘sleeten’, lange dunne boomstammetjes. De rook van het Losse vuur trok door deze sleeten en doden, alle nog in de oogst aanwezige insecten. Tegen bedtijd werd de vuurkorf op het nog smeulende vuur geplaatst. Dit om te voorkomen dat de kat er te dichtbij kwam. Een kat, ook wel ’n balknhaas genoemd, kon immers overal in de boerderij komen en als een brandende balknhaas naar de hooizolder vluchtte, dan zou het er wel eens te heet aan toe kunnen gaan
..
Los Hoes- InterieurRond het losse vuur vertelde men elkaar ’s avonds spannende verhalen, sagen. Vertelsels waarin het bovennatuurlijke voorkomt.
Los Hoes - Bedstede, goastokDe boer en de boerin sliepen in de bedstede het dichtst bij het vee. De andere bedstede was voor de kinderen.
Eppinkschuur
Eppinkschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Eppinkschuur

Deze stadsboerderij van het type “Los Hoes” stond aan de wal in Ootmarsum en werd bewoond door de familie Eppink. In het Nedersaksisch heeft de uitgang ink of ing bij persoonsnamen de betekenis van; zoon van. Eppink is dus zoon van Eppe en Geerdink is zoon van Geerd. Veel familienamen in deze regio hebben een dergelijk achtervoegsel. De boerderij werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw door vrijwilligers afgebroken en naar het openluchtmuseum verplaatst. Bijna alle gebouwen op het museumterrein zijn verplaatste gebouwen. Bij de verhuizingen en wederopbouw is, waar mogelijk, gebruik gemaakt van het nog aanwezige historische bouwmateriaal. Omdat de gebouwen verplaatst zijn, zijn het geen monumenten meer. Aan de stadsboerderij Eppink is de vroegere indeling nauwelijks nog te herkennen. De buitenzijde verraad nog wel de oorspronkelijke functie. Met name de grote entreedeuren die toegang gaven tot de “deel”, de werkvloer van de boerderij. Deze deeldeuren kunnen geheel opengezet worden waarna men de middelste post, de “stiepel” kan verwijderen. Door de brede ingang die aldus ontstaat kan de boer de boerenwagen het huis binnenrijden en de oogst op de zolder afladen. De deel bevond zich aan de achterzijde , het achterend van de boerderij.
HofstelselEen uitleg over het hofstelsen uit de vroege middeleeuwen.
Hofmeier/ Van BeverfordeAan het hoofd van de hof stond een zogenaamde Hofmeier. De grootste heer in Overijssel was sinds de vroege middeleeuwen de bisschop van Utrecht.
StatenbijbelEen verhaal over de statenbijbel
Harmannus van BeverfordeHermannus van Beverforde werd in 1725 geboren als zoon van Jan Hendrik van Beverforde en Maria Keller van Neuenhaus.
AtlasEen atlas is een statussymbool. Hij geeft aan dat de bezitter kennis van de wereld heeft.
Johan Georg DröghoornJohan Georg Dröghoorn, de vader van Wennemar Hendrik was tot het midden van de jaren 70 van de 18e eeuw een welgesteld man.
Klopkeshuis
Klopkeshuis op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Klopkeshuis

Een bijzondere groep vrouwen in Twente zijn de kloppen of klöpkes. Ten tijde van de katholieke schuilkerken trokken zij , al kloppend op ramen en deuren, langs de huizen van de gelovigen om te vertellen waar in het geheim een mis werd gelezen. In de tijd van de geloofsvervolging waren zij de voorposten van de contrareformatie. Dit Klöpkeshoes is een kopie van de Mariakloese uit Noord-Deurningen de steen naast de deur ‘Soli deo Gloria’ anno 1684 bevond zich ooit boven een klöpkeshoes op erf Jonkman in Deurningen. Alhoewel het klöpke een zekere status had was haar woning vaak niet meer dan een hutje dat soms tegen de boerderij of de stal aangebouwd was. Voor de boer was het een eer een klöpke te huisvesten. Het kon nooit slecht zijn met het oog op het hiernamaals. Na de geloofsvervolging blijft het klöpke als een bijzondere instelling bestaan. De kloppen legden de gelofte van kuisheid af en bleven ongehuwd. Klöpkes droegen uniforme kleding, maar bleven in tegenstelling tot de nonnen op zichzelf wonen. In een kamer met een bedstede bij een getrouwde broer of zuster of in een klöpkeshoes. Het klöpke had grote invloed in de gemeenschap en fungeerde als een soort van sociaal werkster. Dat dit niet altijd gewaardeerd werd blijkt uit een aantal Twentse gezegden over de vrome dames. ‘Ne klop is nen heilige in de keark, ne klappei op de stroat, en nen duuvel in hoes’, een heilige in de kerk, een roddeltante op straat, en een duivel in huis. Ze bemoeiden zich nadrukkelijk met de opvoeding van de kinderen en waren de oren en ogen van de pastoor. Ze brachten hem al het nieuws, het mooie en het lelijke. Waar een klop in huis is, zit de duvel op de schoorsteen.
Hofkamer
Hofkamer op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Hofkamer

Mochten de burgers in de staat zich heel wat verbeelden met hun landerijtjes en patriottistisch gezever over vrijheid gelijkheid en broederschap, Ă©chte macht hadden ze niet. Nee neem dan Baron Sigismund Vincent Gustaaf Lodewijk van Heiden Hompesch tot Ootmarsum, Rijksgraaf, Drost van Twente en Salland, voogd van de stadhouder Prins van Oranje. Door tegenstanders genaamd de Colossus. Kolossaal in omvang en kolossaal in zijn daden. Het prachtige Huys in Ootmarsum was slechts 1 van zijn vele bezitting. Rond het huys had Sigismund een waar lusthof gebouwd met een wildbaan, visvijvers en een prachtige koepeltuin met daarin een Arion fontein. Dit was echte macht en zo gedroeg Sigismund zich ook. Bij de bevolking van Twente was hij absoluut niet geliefd. Zijn neef was drost van Vollenhove en met z’n tweeĂ«n bestuurden zij Overijssel. ‘Tot groot ongenoegen van hare burgers’ aldus een tijdgenoot en burgemeester van Zwolle. De drost maakte openlijk misbruik van zijn macht. Men was zo bang voor deze heer dat er na zijn dood vele verhalen de ronde gingen. Sigismund stief aan een beroerte terwijl hij op een mooie zomerse dag in zijn vijvers stond te vissen. Des avonds werd zijn lijk in een lodenkist naar de kerk vervoerd. De volgende ochtend zo verteld men hadden alle boom langs deze route hun blad verloren. Hartje zomer. Van Sigismund wordt gezegd dat hij een vloek over het kasteel afgeroepen heeft. Zo zou hij, in een vlaag van geloofsijver, rond 1780 een katholieke priester hebben laten vermoorden. Katholicisme werd gedoogd in schuilkerken maar deze roomse onverlaat had het bestaan haagpreken te geven. Een voorbeeld moest gesteld worden. Voor zijn dood zou deze priester het huis en zijn bewoners vervloekt hebben. ‘Van dit trotse huis zal geen steen op de ander blijven’. Veertig jaar later in 1820 is het Huis Ootmarsum steen voor steen afgebroken.
Hofkamer - Stad OotmarsumDe vroegste beschrijving van Ootmarsum stamt waarschijnlijk uit een beschrijving van het leven van bisschop Raboud.
Hofkamer - SaksenoorlogenOotmarsum is een van de oudste stadjes van Twente. Rond 800 na chr. Stond hier één van de eerste houtenkerken in Twente.
Koetshuis
Koetshuis op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Koetshuis

Een koets met paardenkracht was tweehonderd jaar geleden het enige vervoermiddel op het platteland. Er waren toen nog geen verharde wegen en over zandwegen moest men vaak reizen van vele dagen afleggen. Bij de herbergen in de verschillende dorpen kon men de paarden verwisselen. De gouden koets is een keer per jaar nog steeds een spectaculair gezicht. Op het platteland had de boer vaak enkele paarden. Dat waren zware paarden voor het zware werk, de z.g. ’Belsen’ en wat luxere paarden voor de koets. Dat aanspannen van het paard was een hele klus, maar ook het mennen van het paard zodat je met de koets op weg kon, was niet eenvoudig. Wanneer je het helemaal verkeerd deed dat kreeg je te horen : “ Je moet het paard niet achter de wagen spannen !” De boodschappenwagen was de Huifkar ofwel Zeilwagen. Hiermee werden de voorraden van en naar de markt gebracht en gehaald. Bij bijzondere gelegenheden zoals een bruiloft, werd de huifkar mooi versierd met papieren roosjes. De Sjees is een kleine koets met twee wielen en is voor het vervoer van twee personen De landauer is een sjieke open koets die door de welgestelde burgers werd gebruikt. De kerkwagen is een klein koetsje met een soort cabine waarmee men ook bij slecht weer in de zondagse kleren, zonder nat te worden, het bezoek aan de kerk kon brengen. Vroeger was er geen openbaar vervoer en de postkoets bood ruimte aan een paar personen en zo kwam langzaam het openbaar vervoer op gang. In de steden reed toen de Omnibus, een lange wagen met plek voor meerdere personen, getrokken door paarden. Tot op de dag van vandaag rijden die wagens hier nog in de omgeving : ze heten een “ Jan Plezier”. Het is en koets voor 10 tot 15 personen voor een lekker rustig tochtje door stadjes, dorpen, bos en heide.
Wagenschuur
Wagenschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Wagenschuur

Van klein tot groot waren de wagens die in en om de boerderij werden gebruikt. Van eenvoudige kruiwagen, tot bolderkar, een stortkar, tot zware hooiwagens en oogstwagens. De wagens hebben houten wielen, vaak met een metalen hoepel er om heen, soms 2, soms 4 wielen en vaak ook een draaibaar onderstel. De dissel of boom is de lange balk waaraan de paarden aangespannen worden. Met de mestkar werd de mest uit de stal uitgereden op het land. Er is een oogstwagen waarmee de aardappelen, bieten en knollen mee werden vervoerd. De hooiwagen is een wagen die voorzien wordt van steunstokken zodat het hooi hoog opgepakt kan worden. Wanneer je bij het hooien te grote hoeveelheden hooi oppakte dan viel het meeste er vaak af. “ Je moet nooit teveel hooi op je vork nemen”. De hooiwagens en het werken van de hele familie op het land in de zomer, was een mooi schouwspel dat op talloze schilderijen terug te vinden is.

De paaswagens

Drie grote zware wagens staan hier een jaar lang te wachten om met Pasen van stal te worden gehaald en dienst te doen bij de paastradities. De organisatoren van deze tradities in Ootmarsum, “De Poaskeerls” gebruiken deze wagens om het hout voor het paasvuur op te halen uit het natuurgebied in de omgeving. Op paaszaterdag wordt onder grote belangstelling dit paashout opgehaald . De drie wagens, voortgetrokken door elk twee sterke “Belsen” worden zo afgeladen vol geladen dat ze bij de doortocht in he centrum van Ootmarsum aan beide kanten van de straat de huizen raken. Het paashout wordt onder het zingen van de paasliederen naar de paasweide gebracht waar het vuur op eerste paasdag om acht uur s ’avonds wordt ontstoken als symbool voor het nieuwe leven dat de zomer gaat brengen.
Heinenboer
Heinenboer op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Heinenboer

Op het moment dat het veld, de heide, grootschalig ontgonnen kan gaan worden in Twente, stapt men over op een ander boerderijtype. Het los Hoes type dat tot op dat moment dominant is geweest in deze regio, wordt vervangen door een luxer boerderijtype waarin mens en dier gescheiden leven. Deze boerderij is van een kleine keuterboer en stamt uit 1850. Alhoewel kleiner is hij toch een stuk comfortabeler dan een Los Hoes. Mens en dier leven gescheiden. De boerin beschikt over een fornuis en een spoelkeuken met een waterpomp. Geslapen wordt er in een bed en niet meer in een bedstede. Ook is er, zeer luxe, een toilet in het gebouw, een gemak. Dankzij dit gemak hoefde men regen en wind niet te trotseren om naar het huisje te gaan. Een dergelijk gemak had men ook in de dodencel daar kon men op z’n dooie gemak doen wat men moest doen. De boer had waarschijnlijk naast zijn boerenbedrijf nog neven inkomsten. Waarschijnlijk werd er s’ winters geld verdiend door dokken te maken. Dokken zijn de stroproppen die onder de dakpannen gingen om het dak regendichter te maken. De boerin had als bijverdienste kantklossen. Kant is kostbaar en zeer arbeidsintensief. Hoe rijker de boer hoe breder het kant aan de knipmuts van de boerin. Wie het breed heeft , laat het breed hangen. Met 12 kinderen in een dergelijk klein huisje was het wel passen en meten. De oudere kinderen sliepen dan ook direct onder de dakpannen, op de hiel. De lage zolder boven de veestallen. Als ze geluk hadden sliepen ze boven de koeien dan hadden ze ‘s winters vloer verwarming. Men sliep in de regel met de kleren aan en als het ’s nachts buiten sneeuwde dan moest men ’s ochtends ‘de snee van de dekke’ slaan
Boerderijtje Heinenboer - NoabersOm als noaber gevraagd te worden is een eer, maar ook niet iets dat je lichtvaardig op je neemt.
Boerderijtje Heinenboer - De deelOp de deel werd gewerkt. De rogge werd op de vloer uitgespreid en de jongemannen sloegen met dorsknuppels en vlegels de graankorrels uit de aren.
Kapberg
Kapberg op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Kapberg

Al vanaf de middeleeuwen werd het stro en hooi dat zomers van het land kwam, bewaard omdat het vee in de winter ook te eten moest hebben. Deze voorraad werd opgeslagen in een hooiberg ook wel hooimijt genoemd. De hooiberg heeft vier stevige ‘ Roeden’ en een met riet gedekt dak dat verstelbaar is. Naargelang de voorraad ging het dak omhoog of omlaag zodat de inhoud niet nat kon worden. Een gevulde hooiberg heeft een behoorlijke omvang. Probeer dan maar eens een speld in een hooiberg te vinden
. Deze hooiberg heeft aan elke roede een zwengel en een staalkabel waarmee het dak versteld wordt. Het gebruik van de hooibergen verdween toen met machines de bekende hoekige strobalen werden gemaakt die gemakkelijker op te slaan waren.
Bakspieker
Bakspieker op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Bakspieker

Vanaf 1598 werd een belasting op vuursteden, vuurplaatsen ingevoerd. Een boer kon wel toe met één vuurplaats mits er een bakhoes of bakspieker in de buurt was die hij met anderen kon delen. Men bakte vaak een grote hoeveelheid broden te gelijk zodat men weken genoeg roggebrood had voor in de spinde of voor op de broodplank. Met voldoende brood op de plank kon je vooruit. Het brood wordt gebakken in een met takkenbossen voorverwarmde oven. Het vuur verhit de stenen van de oven, vervolgens wordt het vuur en de as verwijderd uit de oven. Het kost behoorlijk wat tijd om de oven op temperatuur te brengen. Voor één brood kun je geen bakoven bouwen is een Twents gezegde, dat loont de moeite niet. Het kost meer dan dat het opbrengt. Niet iedereen was een goede bakker soms mislukte het baksel dan had je een halve gare. Een blauwtje lopen
 Speculaas werd vroeger in de vorm van een pop gebakken en dit gaf ruimte voor veel ongeschreven boodschappen en signalen. Als de vrijerij bleef aanhouden dan moest de jongeman op de koffie komen. Voor de ouders van het meisje een mogelijkheid om te kijken wat voor vlees zij in de kuip hadden. Was de vrijer wel uit het goede hout gesneden? Kreeg hij enkel koffie dan wist hij dat hij niet terug hoefde te komen. Kreeg hij koffie uit een iets afwijkend kopje dan de rest van de familie, dan was het helemaal duidelijk. Een dergelijk kopje werd een blauwtje genoemd, hij had een blauwtje gelopen. Het kon ook zijn dat de vrijer goedgekeurd werd en dat hem bij de koffie een stuk speculaas aangeboden werd. Als hij de schoonfamilie niet zag zitten dan ‘nam hij de benen’ van de speculaaspop. Dan wist zijn meisje dat het genoegen van korte duur was. Meer hoefde niet gezegd te worden.
BroodbakkenEen filmpje oven het ambachtelijke broodbakken
Bijenstal
Bijenstal op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Bijenstal

“ Oh, wat bint dee biejn drok” , wat zijn de bijen weer druk in de weer. De bijenteelt is naar Twente gekomen via de monniken en kloosters. Op bijna de helft van de boerenerven was wel een “Iemenschoer” een bijenstal, te vinden. Vooral in de omgeving van de grote heidevelden. Honing was vroeger kostbaar en vaak een betaalmiddel. De boeren konden hun huur betalen met honing. De Commanderie Ootmarsum kende in 1644 nog een twintigtal “Was-tinsige Meiers” : boeren die verplicht een deel van de honingopbrengst aan de heer moesten afstaan. Bijen zijn een belangrijke schakel in ons eco-stelsel. De bestuiving van de planten door de bijen is noodzakelijk om te kunnen voortleven : honing is een smakelijk bijproduct. Afgelopen jaren ging het steeds slechter met de bijen. Honderden bijenvolken legden het loodje. “ Waar de bij ligt uitgeteld is het droevig met het milieu gesteld.”
Boerderijschuur
Boerderijschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Boerderijschuur

Veeschuur
Veeschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Veeschuur

Pauwenren
Pauwenren op het Openluchtmuseum Ootmarsum.

Pauwenren