Welkom bij het Openluchtmuseum Ootmarsum. Om makkelijk uw weg te vinden op het terrein van ons museum,
kunt u gebruik maken van deze pagina op onze website. U vindt hier een plattegrond met daarop afbeeldingen van de 22 gebouwen.
Door te klikken op een gebouw, wordt er een beschrijving van het gebouw getoond die u desgewenst ook kunt afspelen.
Onder elke beschrijving staan meestal nog enkele aanklikbare kleine foto's. Aanvullende verhalen en filmpjes worden dan afgespeeld.
Uw huidige lokatie op het terrein wordt weergegeven met een blauwe cirkel. Door de vele bomen op ons terrein is er vaak een flinke afwijking in de GPS.
Hoe groter de afwijking, hoe groter de blauwe cirkel. Als de aanwijzing nauwkeurig genoeg is en u bent dicht in de buurt van een van de gebouwen, dan wordt het betreffende gebouw geselecteerd. De bijbehorende tekst wordt voorgelezen. Bij de instellingen kunt u aangeven wat uw voorkeuren zijn.
Bij de meeste gebouwen wordt een looproute voorgesteld om naar het volgende gebouw te wandelen, uiteraard is dit slechts een suggestie.
Deze pagina heeft alleen de volledige functionaliteit als u op het museumterrein bent. Na uw bezoek kunt u thuis alle verhalen gedurende een week nog eens rustig nalezen.
Scan deze QR-code bij de andere smart-phones in uw gezelschap. Tip: Wilt u de Wegwijzer tijdens uw bezoek gemakkelijk terugvinden? Zet hem dan op uw beginscherm.
Molenhuisje en papiermolen op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Molenhuisje en papiermolen
Het enige gebouw in het park dat de status van rijksmonument heeft, is het molenhuisje. Het molenhuis stamt uit 1450.
Het woonhuis is in 1810 door de Drost verkocht en werd in 1960 eigendom van de gemeente. Tot 1860 zat aan dit molenhuis een watermolen vast die met het rad in de âmolenbeekâ draaide. Het was een korenmolen. De molen werd gevoed door een grote molenkolk en was een bovenslagmolen. Dat wil zeggen dat het water van boven op het molenrad viel. De molen stond bekend als de voorste molen. De achterste molen bevond zich nabij de vijvers aan de achterzijde van het Commanderieplein. Beide molens behoorden bij het kasteelcomplex dat zich op deze plek bevond.
Het molenhuisje is het enige gebouw dat van dit landgoed is overgebleven. Beide molens waren dwangmolens. Pachters van het kasteel waren gedwongen hun rogge bij deze molens te laten malen. Ze moesten daarvoor uiteraard meer betalen dan bij de vrije molen in de stad. De boer die âs ochtends het eerst bij de molen kwam was ook het eerst aan de beurt. âWie het eerst komt, het eerst maaltâ.
Papiermolen
Het gebouwtje is een verkleinde uitgave van de watermolen die hier vroeger stond. Nu wordt getoond hoe tweehonderd jaar geleden papier werd gemaakt. Papier werd toen gemaakt van lompen met een hamerbak die aangedreven werd door waterkracht. Dat gebeurde in Twente de in het natuurgebied Het Springendal. De Drost Van Heiden-Hompesch, die hier op de voormalige Commanderie Ootmarsum woonde, bezat hier 5 papiermolens.
Waterrad
Het waterrad is een onderslag-rad. Het rad heeft schoepen en gaat draaien door de stroming van het water. De schone energie werd gebruikt om de hamerbak aan te drijven die de lompen tot pulp sloeg. In een schepbak schepte de papiermaker de pulp op doormiddel van een schepraam en dit blad van pulp werd afgelegd op een vilten mat, geperst en gedroogd.
Een wereld zonder papier kunnen we ons nu niet meer voorstellen.
PapiermolenOp deze verkleinde uitgave van de watermolen die hier vroeger stond, worden regelmatig demonstraties papierscheppen getoond.
Papiermolen
Het gebouwtje is een verkleinde uitgave van de watermolen die hier vroeger stond. Nu wordt getoond hoe tweehonderd jaar geleden papier werd gemaakt. Papier werd toen gemaakt van lompen met een hamerbak die aangedreven werd door waterkracht. Dat gebeurde in Twente de in het natuurgebied Het Springendal. De Drost Van Heiden-Hompesch, die hier op de voormalige Commanderie Ootmarsum woonde, bezat hier 5 papiermolens.
Het waterrad is een onderslag-rad. Het rad heeft schoepen en gaat draaien door de stroming van het water. De schone energie werd gebruikt om de hamerbak aan te drijven die de lompen tot pulp sloeg. In een schepbak schepte de papiermaker de pulp op doormiddel van een schepraam en dit blad van pulp werd afgelegd op een vilten mat, geperst en gedroogd.
Een wereld zonder papier kunnen we ons nu niet meer voorstellen.
PapierscheppenDemonstratiefilm papierscheppen.
Papierscheppen
Marjon Droste geeft een demonstratie ambachtelijk papierscheppen
Filmpje OogstdagOp de ambachtelijke Oogstdag wordt de rogge op verschillende manieren gemaaid.
Filmpje Oogstdag
Op de ambachtelijke Oogstdag wordt de rogge op verschillende manieren gemaaid
Hoofdingang op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Hoofdingang
"Leu , kom dârin dan kuj dâroet kieken. Mensen wees welkom, kom binnen dan kun je naar buiten kijken.
Het museum is als "een" verhaal. Een verhaal over mensen; over waar en hoe ze woonden wat hen bezighield, wat ze aten, hoe ze sliepen ', 'hun gewoonten en ambachten, over 'taal en over gebruiken , over geloof, over armoede, strijd en rijkdom, van oorlog en vrede.
Dit verhaal gaat over ridders, goastokken, noabers, baronnen, burgers en bisschoppen . Over textiel, over landbouw, geveltekens en klöpkes. Over bestuur en over ontwikkeling.
En dat alles ter lering en vermaak. Opdat we weten wie we zijn en waar we vandaan komen, wat ons beweegt en misschien zelfs waarom.
Museum
Dit museum vertelt het verhaal van deze regio. Het land van de Tubanti, Twente : het land van Heeren en Boeren.
Het plaatselijk dialect is een variant van het Nedersaksisch. Het Nedersaksisch is een officieel erkende streektaal . Het taalgebied omvat geheel Noord Duitsland tot de Poolse en over de Deense grens. In Nederland wordt Nedersaksisch gesproken in Groningen, Drenthe, Overijssel, zuid Friesland, de Veluwe en in de Achterhoek. In de middeleeuwen was het Nedersaksisch een zeer prominente taal het was de officiële voertaal van de Hanze. Als taal wordt het Nedersaksisch erg bedreigd. Nog slechts 25 procent van de volwassenen en 4 procent van hun kinderen, in het taalgebied spreekt Nedersaksisch.
De laatste jaren is er weer meer waardering en interesse in de taal. Het succes van de regio soap Van Jonge Leu en Oale Groond is daar een voorbeeld van.
Oh, ja een â gietelingâ is een merel en als u geluk heeft ziet u misschien een âkateekerâ (een eekhoorntje)
Een mooie beleving van de historie van TwenteWelkom op ons Openluchtmuseum
Een mooie beleving van de historie van Twente
Het Openluchtmuseum Ootmarsum heeft als ondertitel âLand van Heeren en Boerenâ. Het museum geeft een beeld hoe de mensen in Twente tweehonderd jaar geleden leefden. De boeren, die vaak als pachter een stoer, armoedig en eenzaam bestaan hadden, maar ook de âHeerenâ, die aangesteld waren de bezittingen te beheren. In Ootmarsum waren veel âhoge Heerenâ: de Hofmeier, die in naam van de bisschop meer dan 100 boerderijen moest beheren, de Drost van Twente, die door de stadhouder was aangesteld en die mocht rechtspreken en belasting innen en de Commandeur, die woonde op de verdwenen Commanderie Ootmarsum, een klooster van de Ridderlijke Duits Orde.
Het woonhuis van de laatste Drost van Twente kan worden bezocht, in het museumpark is een expositie over de Hofmeiers te zien en er wordt gewerkt aan een expositie over de Commanderie van Ootmarsum.
En de boeren? Wel, âDe boer hij ploegde voortâŠ..â .
Het grootste deel van het museumpark toont hoe de boeren vroeger leefden. Dicht bij de natuur, sober, zelfvoorzienend en ambachtelijk. Land bewerken, wonen, veeteelt, tradities, kleding, gereedschappen en vaardigheden zoals weven, spinnen, houtbewerÂŹking, smeden, etc., het komt allemaal voorbij. Het is natuurlijk aardig om de bijgaande teksten van de audiotours nog eens na te lezen, maar het is natuurÂŹlijk veel spannender nog eens terug te komen en je onder te dompelen in het landleven van het Twente van tweehonderd jaar geleden.
Het museum is als een verhaalHet museum is als een verhaal. Een verhaal over mensen
Het museum is als een verhaal
âLeu , kom dârin dan kuj dâroet kieken.â Mensen wees welkom, kom binnen dan kun je naar buiten kijken.
Het museum is als een verhaal. Een verhaal over mensen; over waar en hoe ze woonden wat hen bezighield, wat ze aten, hoe ze sliepen, hun gewoonten en ambachten, over taal en over gebruiken , over geloof, over armoede, strijd en rijkdom, van oorlog en vrede.
Dit verhaal gaat over ridders, goastokken, noabers, baronnen, burgers en bisschoppen . Over textiel, over landbouw, geveltekens en klöpkes. Over bestuur en over ontwikkeling.
En dat alles ter lering en vermaak. Opdat we weten wie we zijn en waar we vandaan komen, wat ons beweegt en misschien zelfs waarom.
Dit museum vertelt het verhaal van deze regio. Het land van de Tubanti, Twente : het land van Heeren en Boeren.
Het plaatselijk dialect is een variant van het Nedersaksisch. Het Nedersaksisch is een officieel erkende streektaal . Het taalgebied omvat geheel Noord Duitsland tot de Poolse en over de Deense grens. In Nederland wordt Nedersaksisch gesproken in Groningen, Drenthe, Overijssel, zuid Friesland, de Veluwe en in de Achterhoek. In de middeleeuwen was het Nedersaksisch een zeer prominente taal het was de officiële voertaal van de Hanze. Als taal wordt het Nedersaksisch erg bedreigd. Nog slechts 25 procent van de volwassenen en 4 procent van hun kinderen, in het taalgebied spreekt Nedersaksisch.
De laatste jaren is er weer meer waardering en interesse in de taal. Het succes van de regio soap Van Jonge Leu en Oale Groond is daar een voorbeeld van.
Oh, ja een â gietelingâ is een merel en als u geluk heeft ziet u misschien een âkateekerâ (een eekhoorntje).
GoodgoanâVolle geluk in ân tukâ zegt men hier vaak wanneer je weggaat.
Goodgoan
âVolle geluk in ân tukâ zegt men hier vaak wanneer je weggaat. We hopen dat deze reis door de vroegere tijden van de Heeren en de boeren in Twente niet alleen een plezierige tocht was, maar ook bezinning heeft gebracht.
In het Twenteland van nu is nog steeds de aard van de stoere noeste werker met een nuchtere levensopvatting te bespeuren. Hier hebt ze â tied zatâ. Onthaasten en jezelf zijn is voor veel stress een goeie medicijn.
We hopen u nog eens in het Land van Heeren en Boeren te mogen begroeten en zeggen voor nu :
âGoodgoanâ
Weemhof op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Weemhof
De Weemhof lijkt het nieuwste gebouw op het terrein maar is in de kern een van de oudste. Het gebint, de dragende constructie, de houten balken stammen uit de 14e of 15e eeuw. Dit gebint is zoals gebruikelijk bij goed gebintwerk, verscheidende keren hergebruikt. Zo hebben de gebinten van 1969 tot 1997 deel uitgemaakt van het exclusieve restaurant âde Wanneâ.
De naam Weemhof is afgeleid van een weem of wheeme, een benaming voor een pastorie. De betekenis gaat terug tot het oud Friese wetheme dat kerkelijk bezit betekend. Veel dorpen en steden kennen wel een weemstraat en weem vindt u af en toe terug in achternamen zoals âoude nieuwe wemeâ.
In het gebouw zie je wisselende exposities en kun je de korte introductie video over het museum bekijken.
Ook vindt je hier het begin van de textielindustrie in Twente. Die textielindustrie gaf in de vorige eeuw werk aan vele duizenden mensen in de vele fabrieken die hier waren. Deze industrie begon al in de 18e eeuw in de boerderij, waar met name in de wintertijd de boer en de boerin -vaak van het eigen verbouwde vlas- garen sponnen op een spinnenwiel en tot linnenstof weefden op een weefgetouw.
Het grote mozaĂŻek is afkomstig van de Twentse Textielschool in Enschede waar het in 1952 in het schoolgebouw werd aangebracht. In 2017 verhuisde het kunstwerk van Nel Klaassen naar deze plek.
Aan het historische weefgetouw is te zien hoeveel werk het was om een stof te weven. Weet je waar het spreekwoord âOp zân elf en dertigstâ vandaan komt? Wel op zoân weefgetouw zit een âboomâ waar het garen op gespannen werd in 30 groepen van elk 100 draden. Door deze draden -de schering- steeds om en om omhoog en omlaag te laten gaan en er een spoel met een draad â de inslag- doorheen te laten schieten ontstond de linnen stof. Wanneer je een erg sterke stof wilde maken dan voegde je 11 groepen draden toe van 100 draden. Dat was veel werk en daardoor duurde het weven veel, heel veel langer. : alles wat langzaam gaat ging dus âop zân elf en dertigstâ.
Als er wat te vieren viel, bijvoorbeeld als een boer iets jongs had, een jong kalf of een veulen dan schonk hij een borrel van rozijnen op brandewijn. Boerenjongens. De naam heeft niets met jongens te maken. Boerenmeisjes, abrikozen op brandewijn is een politiek correct verzinsel van latere datum. Als vroeger de kastelein je vertrouwde kreeg je wellicht krediet. Dan mag je de Boerenjongens opdrinken en later betalen. Hij noteert dan je schulden op een stok, doormiddel van het maken van inkepingen met een mes. De stok heet een kerfstok. Het spreekwoord â Iets op de kerfstok hebbenâ is dan ook niet positief.
Kleine werktuigen op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Kleine werktuigen
In deze schuur worden kleine werktuigen tentoongesteld
Oogstschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Oogstschuur
Er wordt wel eens gezegd âHet Twentse land is gevormd door boerenhandâ.
Het coulisselandschap van akkers, weilanden afgewisseld met boomwallen, is typisch voor dit gebied.
Het bewerken van land heeft door de jaren heen een grote ontwikkeling doorgemaakt. In vroeger jaren werd het land bewerkt met houten werktuig en met paardenkracht : later met tractoren en steeds meer machines.
Er was gereedschap om te ploegen, om het land te bemesten, om te zaaien en om te oogsten.
Begin van de vorige eeuw ontstond steeds meer de mechanische bewerking van het land en nu zien we grote zware machines, zoals combines die grote oppervlakten akkers heel efficiënt bewerken. Dat was vroeger wel anders : moeizaam handwerk met eenvoudige middelen.
Sinds de prehistorie hebben mensen het land naar hun hand gezet. De ontwikkeling van de landbouw is hierin de drijvende kracht geweest. In tegenstelling tot de primitieve jager verandert de landbouwer zijn omgeving en heeft invloed op de natuur om hem heen. Aanvankelijk is de landbouwer verrijkend voor de natuur. Door de variatie in landschapstypen die door het menselijk ingrijpen ontstaan, komen er kansen voor nieuwe planten en diersoorten. De prehistorische volkeren die zich in deze regio, in de uitgestrekte oerbossen ophielden pleegden aanvankelijk een vorm van roofbouw. Op de stuwwallen en dekzandgronden werden de hoger gelegen delen van het oerbos platgebrand en op de ontstane akkertje werd tarwe verbouwd.
Er werd geen bemesting toegepast, was de grond na een aantal oogsten uitgeput, dan werd er een nieuwe akker in het bos gemaakt. De oude akker werd als weide gebruikt voor varkens en kleine runderen. Het bos krijgt geen kans meer op de uitgeputte bodem en na verloop van tijd ontstaat op deze plekken de heide die, veel later, grote delen van Twente zal bedekken. Steeds meer hoger gelegen bos wordt gekapt voor weide en akkergrond. Een direct gevolg hiervan is een versnelde afvoer van water via de beekdalen die, in lagergelegen gebieden, voor overstromingen, broeklanden en moerasvorming zorgen. De erosie zorgt voor rijke beekdalen en na kap van de hier ontstane berkenbossen, voor bloemrijke hooilanden.
De akkerbouw concentreert zich op de hoger gelegen delen. Hier ontstaan aaneengesloten landbouwgebieden de z.g. essen. Aan de randen van de essen vinden we de weilanden, de z.g. âHooilandenâ. Deze lagen bij voorkeur aan het water en dicht bij de boerderij. Deze weilanden werden rondom voorzien van hekwerk en begroeiing zoals knotwilgen. Het zijn de houtwallen die het Twentse landschap zo aantrekkelijk maken.
Rond 800 na Chr. zijn hier de eerste dorpen en steden ontstaan. Het waren nog maar kleine eilandjes in een woest gebied. De bevolking bestond uit, aan de Saksen gelieerde stammen of familiegroepen, voornamelijk de Tubanti, naar wie deze streek is genoemd. Hun geloof vertoonde veel overeenkomsten met de noordelijke mythologie. Freya, Tyr, en Wodan waren de goden die werden vereerd. Tegenwoordig is in Twente nog steeds iets terug te vinden van die oertijd.
De oogstschuur â Vroege landbouwEr wordt wel eens gezegd âHet Twentse land is gevormd door boerenhandâ. Het coulisselandschap van akkers, weilanden afgewisseld met boomwallen, is typisch voor dit gebied.
De oogstschuur â Vroege landbouw
Er wordt wel eens gezegd âHet Twentse land is gevormd door boerenhandâ.
Het coulisselandschap van akkers, weilanden afgewisseld met boomwallen, is typisch voor dit gebied.
Het bewerken van land heeft door de jaren heen een grote ontwikkeling doorgemaakt. In vroeger jaren werd het land bewerkt met houten werktuig en met paardenkracht : later met tractoren en steeds meer machines.
Er was gereedschap om te ploegen, om het land te bemesten, om te zaaien en om te oogsten.
Begin van de vorige eeuw ontstond steeds meer de mechanische bewerking van het land en nu zien we grote zware machines, zoals combines die grote oppervlakten akkers heel efficiënt bewerken. Dat was vroeger wel anders : moeizaam handwerk met eenvoudige middelen.
Sinds de prehistorie hebben mensen het land naar hun hand gezet. De ontwikkeling van de landbouw is hierin de drijvende kracht geweest. In tegenstelling tot de primitieve jager verandert de landbouwer zijn omgeving en heeft invloed op de natuur om hem heen. Aanvankelijk is de landbouwer verrijkend voor de natuur. Door de variatie in landschapstypen die door het menselijk ingrijpen ontstaan, komen er kansen voor nieuwe planten en diersoorten. De prehistorische volkeren die zich in deze regio, in de uitgestrekte oerbossen ophielden pleegden aanvankelijk een vorm van roofbouw. Op de stuwwallen en dekzandgronden werden de hoger gelegen delen van het oerbos platgebrand en op de ontstane akkertje werd tarwe verbouwd.
Er werd geen bemesting toegepast, was de grond na een aantal oogsten uitgeput, dan werd er een nieuwe akker in het bos gemaakt. De oude akker werd als weide gebruikt voor varkens en kleine runderen. Het bos krijgt geen kans meer op de uitgeputte bodem en na verloop van tijd ontstaat op deze plekken de heide die, veel later, grote delen van Twente zal bedekken. Steeds meer hoger gelegen bos wordt gekapt voor weide en akkergrond. Een direct gevolg hiervan is een versnelde afvoer van water via de beekdalen die, in lagergelegen gebieden, voor overstromingen, broeklanden en moerasvorming zorgen. De erosie zorgt voor rijke beekdalen en na kap van de hier ontstane berkenbossen, voor bloemrijke hooilanden.
De akkerbouw concentreert zich op de hoger gelegen delen. Hier ontstaan aaneengesloten landbouwgebieden de z.g. essen. Aan de randen van de essen vinden we de weilanden, de z.g. âHooilandenâ. Deze lagen bij voorkeur aan het water en dicht bij de boerderij. Deze weilanden werden rondom voorzien van hekwerk en begroeiing zoals knotwilgen. Het zijn de houtwallen die het Twentse landschap zo aantrekkelijk maken.
Rond 800 na Chr. zijn hier de eerste dorpen en steden ontstaan. Het waren nog maar kleine eilandjes in een woest gebied. De bevolking bestond uit, aan de Saksen gelieerde stammen of familiegroepen, voornamelijk de Tubanti, naar wie deze streek is genoemd. Hun geloof vertoonde veel overeenkomsten met de noordelijke mythologie. Freya, Tyr, en Wodan waren de goden die werden vereerd. Tegenwoordig is in Twente nog steeds iets terug te vinden van die oertijd.
De oogstschuur - GereedschappenMet een houten ploeg en later een ijzeren ploeg, voortgetrokken door een os of door paardenkracht, werd het land bewerkt.
In de schaapskooi hield de scheper, de schaapherder, zijn kudde. De kudde bestond vaak uit schapen van verschillende eigenaren. In de zomer waren zij te vinden op het veld, de gemeenschappelijke heidevelden. Rond 1800 bestond 80% van Twente uit heidevelden, wilde woeste gronden. De schapen zorgden ervoor dat de heide niet of overwoekerd raakte en bosgebied werd.
De scheper kende de beste verhalen over de wezens in ât veld over âde grieze veulensâ, âde spookhazenâ, âde hellehondâ en âde witte wievenâ. Wief is vanouds het Twentse woord voor vrouw, pas onder invloed van de negatieve klank van het Hollandse wijf, zoals in viswijf, heeft het woord vrouw het wief verdrongen. Witte duidt op iets weten, op zuiver, op kennis. Een wit wief wordt dan een vrouw die veel kennis heeft. Deze vrouw wist alles van kruiden en was vaak de kraamvrouw. Als de koe ziek was dan werd het witte wief erbij gehaald en dan wist zij wat te doen. Soms was het wief een alleenstaande oudere vrouw en woonde zij op de heide of in het bos. Onder invloed van de heksenwaan een gemakkelijk doelwit. Tegenwoordig kun je een wit wief beter niet tegenkomen. Ze leven onder de grond in de oude grafheuvels waar ze grote drankfestijnen houden en jongemannen naar zich toe lokken. Om ze eeuwig op te sluiten. Als ze durven, negeren ze het gevelteken en komen âs nachts in de boerderij om stiekem het bier te stelen. Gevaarlijk volk deze witte wieven.
Schaapskooi â Witte wievenIn de schaapskooi hield de scheper, de schaapherder, zijn kudde. De kudde bestond vaak uit schapen van verschillende eigenaren.
Schaapskooi â Witte wieven
In de schaapskooi hield de scheper, de schaapherder, zijn kudde. De kudde bestond vaak uit schapen van verschillende eigenaren. In de zomer waren zij te vinden op het veld, de gemeenschappelijke heidevelden. Rond 1800 bestond 80% van Twente uit heidevelden, wilde woeste gronden. De schapen zorgden ervoor dat de heide niet of overwoekerd raakte en bosgebied werd.
De scheper kende de beste verhalen over de wezens in ât veld over âde grieze veulensâ, âde spookhazenâ, âde hellehondâ en âde witte wievenâ. Wief is vanouds het Twentse woord voor vrouw, pas onder invloed van de negatieve klank van het Hollandse wijf, zoals in viswijf, heeft het woord vrouw het wief verdrongen. Witte duidt op iets weten, op zuiver, op kennis. Een wit wief wordt dan een vrouw die veel kennis heeft. Deze vrouw wist alles van kruiden en was vaak de kraamvrouw. Als de koe ziek was dan werd het witte wief erbij gehaald en dan wist zij wat te doen. Soms was het wief een alleenstaande oudere vrouw en woonde zij op de heide of in het bos. Onder invloed van de heksenwaan een gemakkelijk doelwit. Tegenwoordig kun je een wit wief beter niet tegenkomen. Ze leven onder de grond in de oude grafheuvels waar ze grote drankfestijnen houden en jongemannen naar zich toe lokken. Om ze eeuwig op te sluiten. Als ze durven, negeren ze het gevelteken en komen âs nachts in de boerderij om stiekem het bier te stelen. Gevaarlijk volk deze witte wieven.
Schaapskooi â VlasEen dienstmeisje op het land had recht op een stukje land waarop zij vlaszaad kon uitzaaien. Dit voorrecht werd bedongen bij het aangaan van het dienstverband en vormde een deel van het loon.
Schaapskooi â Vlas
Een dienstmeisje op het land had recht op een stukje land waarop zij vlaszaad kon uitzaaien. Dit voorrecht werd bedongen bij het aangaan van het dienstverband en vormde een deel van het loon.
De meid had vaak recht op een spint, 12 bij 12 stappen, vlas dat bij de mest gehouden werd. Vlas eist goede bemesting Dit vlaszaad of lijnzaad, lienzaod werd uitgezaaid op het lienstuk, de vlasakker. Er zijn twee soorten vlas : wit bloeiend en blauw bloeiend. Het witte, dat korter is en meer vertakking van de stengel heeft wordt gezaaid voor de zaadopbrengst. Het blauwe wordt gezaaid voor de vezel waarvan men textiel kan maken. De dienstmeid kon de opbrengst verwerken tot linnen voor de uitzet.
In Twente zijn er veel boerenerven waar een rotboer woonde. Dit waren geen vervelende kerels maar boeren op wiens land de rot of reut kuilen waren waarin het vlas gerot werd. Met het oog op de visstand was het rotten van vlas in rivieren en beken in geheel
Noord - West Europa verboden. Rotten was een noodzakelijk bewerking van vlas en zorgde ervoor dat de vezels te oogsten waren.
Schaapskooi - WeefgetouwWeven was het winterwerk van de boer. De vrouw spinde de garen. De boer deed dit op een weefgetouw.
Schaapskooi - Weefgetouw
Weven was het winterwerk van de boer. De vrouw spinde de garen. De boer deed dit op een weefgetouw. Door de lengtedraden, de schering, gooit of schiet hij over dwars de spoel, de inslag. Dit proces wordt oneindig vaak herhaald, dat is schering en inslag. Dat spreekwoord ken je zeker wel.
De breedtedraden of ketting, versterkte men met stijfsel want deze slijten het sterkst. Vaak werd hiervoor een speciale soort emmer gebruikt. Weven was winterwerk en als de stijfselpap bevroren was, kon de wever niet verder en werd hij bang dat hij zijn werk niet af zou krijgen. âEt vrös em op ân emmerâ het vriest hem op de emmer is in Twente een uitdrukking voor iemand die angstig wordt.
De lengtedraden - zeven tot achthonderd stuks - worden gewikkeld om een zogenaamde Boom. Dat was een hele klus. Een boom op zetten deed men met een noaber / buurman en dat was een precies geduldig en langdurig werk waarbij natuurlijk veel gepraat werd. Als er een nieuwe boom werd ingericht op het weefgetouw, dan werd er iets op touw gezet.
Voordat de vlas gesponnen kan worden moet de vezel van het hout gescheiden worden, daarvoor gebruikt men onder andere de hekel. Dat is een plank met pinnen of spijkers in oplopende dichtheid waarmee men de houtvezel uit de vlasvezels kamde. Vaak zat men aan beide zijden en sloeg men om en om een stukje vlas over de kam. âIemand over de hekel halenâ was dus het proberen ergens het fijne van te weten te komen.
Tuffelkelder op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Tuffelkelder
Rond 1750 doet de aardappel als gewas zijn intrede in Twente. Aanvankelijk moeten de boeren niets hebben van de aardappel, omdat de bessen en de stengel giftig zijn dacht men ook dat de knol ongezond was. Aardappel of tuffel kan men echter op braak liggend land verbouwen en met dit gewas konden 2 tot 3 maal zoveel mensen gevoed worden. Dat was bittere noodzaak aan het eind van de 18e eeuw.
Aardappels moeten vorstvrij bewaard worden en om die reden werd een tuffelkeller of een tuffel-hel gebouwd. Een warm gat in de grond aan weerszijden omgeven door aarde en met stro en rieten maten geĂŻsoleerd. Naast de aardappels werd er in de kelder ook vaak andere oogst en fruit bewaard.
Deze stadsboerderij van het type âLos Hoesâ stond aan de wal in Ootmarsum en werd bewoond door de familie Eppink. In het Nedersaksisch heeft de uitgang ink of ing bij persoonsnamen de betekenis van; zoon van. Eppink is dus zoon van Eppe en Geerdink is zoon van Geerd. Veel familienamen in deze regio hebben een dergelijk achtervoegsel.
De boerderij werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw door vrijwilligers afgebroken en naar het openluchtmuseum verplaatst. Bijna alle gebouwen op het museumterrein zijn verplaatste gebouwen. Bij de verhuizingen en wederopbouw is, waar mogelijk, gebruik gemaakt van het nog aanwezige historische bouwmateriaal. Omdat de gebouwen verplaatst zijn, zijn het geen monumenten meer.
Aan de stadsboerderij Eppink is de vroegere indeling nauwelijks nog te herkennen. De buitenzijde verraad nog wel de oorspronkelijke functie. Met name de grote entreedeuren die toegang gaven tot de âdeelâ, de werkvloer van de boerderij. Deze deeldeuren kunnen geheel opengezet worden waarna men de middelste post, de âstiepelâ kan verwijderen. Door de brede ingang die aldus ontstaat kan de boer de boerenwagen het huis binnenrijden en de oogst op de zolder afladen. De deel bevond zich aan de achterzijde , het achterend van de boerderij.
HofstelselEen uitleg over het hofstelsen uit de vroege middeleeuwen.
Hofstelsel
Het hofstelsel is een uit de vroege middeleeuwen stammend systeem voor het beheer van landgoederen, de zogenaamde hoven. De heer verdeeld zijn landgoederen in kleinere stukken die georganiseerd worden rond een centrale hof of hoeve. De kleine eenheden werden uitgegeven aan horige boeren.
In de roerige vroege middeleeuwen zochten vele kleine boeren bescherming bij een heer. Afhankelijk van zijn macht werden de verhoudingen tussen heer en boer vastgelegd. Deze konden dus per plaats en tijd verschillen. Dit werden de horige boeren.
Een horige was een boer met bepaalde verplichtingen aan een Heer. Zij waren geen eigenaar van de grond maar hadden wel gebruiksrechten, konden bezit vergaren en hadden inspraak bij de overerving van de boerenhoeve die zij beheerden. Met deze rechten komen ook verplichtingen. Deze konden bestaan uit het afstaan van een deel van de oogst of hand en spandiensten voor de heer, de herendiensten. De relatie was tweezijdig ook de heer had plichten ten opzichte van de horige. Zo was de heer verantwoordelijk voor hun veiligheid. De horige was aan de grond, de aardkluit gebonden en kon dus niet verhuizen zonder toestemming van zijn heer. Ging de grond over aan een andere heer dan ook de horige. De rechten en plichten tussen horige en heer waren onderhevig aan constante onderhandeling tussen beide partijen.
Oorlogshandelingen, misoogsten, het niet nakomen van verplichtingen of gebrek aan inkomen bij de heer waren mogelijkheden om rechten en plichten bij te stellen.
De lijsten van goederen die de horigen verplicht waren af te dragen geeft een goed beeld van de producten die in de middeleeuwen, in deze regio verbouwd werden De lijsten omvatten onder andere; rogge, gerst, haver, bonen, bessen, honing, mout, snoek, schapen, varkens, kippen en runderen. Naarmate de middeleeuwen vorderen wordt er steeds meer pacht betaald in geld.
Hofmeier/ Van BeverfordeAan het hoofd van de hof stond een zogenaamde Hofmeier. De grootste heer in Overijssel was sinds de vroege middeleeuwen de bisschop van Utrecht.
Hofmeier/ Van Beverforde
Aan het hoofd van de hof stond een zogenaamde Hofmeier. In aanvang een horige die door persoonlijkheid en overwicht in staat was leiding te geven. De hofmeier was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken op de hof. Als vervanger van de heer sprak de hofmeier recht in onderlinge geschillen tussen de horigen, beheerde hij het bezit en inde hij de belastingen/pacht die de horigen schuldig waren voor het gebruik van het bezit van de heer.
De grootste heer in Overijssel was sinds de vroege middeleeuwen de bisschop van Utrecht. Het gebied waarover de bisschop als een vorst regeerde werd ook wel âhet stichtâ genoemd. Het aanzienlijke bezit van de bisschop over de IJssel staat bekend als âhet overstichtâ en omvatte geheel Overijssel , Drenthe en de stad Groningen . Om dit goed te kunnen beheren richtte de bisschop in Twente verschillende hofstelsels op.
Ootmarsum was daarbij de Hoofdhof in Twente. Was men het als horige van bijvoorbeeld de Hof Oldenzaal het niet eens met de beslissing van de eigen hofmeier, dan kon men in Ootmarsum in beroep gaan. Onder de hof Ootmarsum vallen in de late middeleeuwen circa 140 boerenerven. Deze erven vormen een lappendeken van bezit, een aantal van de erven bevindt zich in wat nu de grafschaft Bentheim is, over de grens in Duitsland.
De bisschop van Utrecht was niet de enige heer met horigen in Twente, die middels een hofstelsel beheerd werden. Een ander groot hofstelsel was dat van de Duitse orde die de eigenaar was van de Commanderij, het kasteel complex in Ootmarsum dat zich ooit op deze plek bevond.
In de 1527 gaat het eigendom de bisschoppelijke hoven over naar keizer Karel de vijfde en vervolgens op diens zoon Phillips de tweede. Na afzetting van de laatste tijdens de 80 jarig oorlog kwamen de bisschoppelijke hoven in handen van de staten van Overijssel. In de praktijk werd er weinig veranderd met dit verschil dat de familie van Beverforde het ambt van hofmeier van vader op zoon doorgeeft. De eerste van Beverforde is in 1612 Reint van Beverforde, hij was gehuwd met een nicht van zijn voorganger. De familie verwerft vele landerijen in eigendom en komt tot aanzien.
Jan Hendrik van Beverforde kan het zich rond 1720 veroorloven, zichzelf en zijn vrouw en zoon Hermannus te laten portretteren.
StatenbijbelEen verhaal over de statenbijbel
Statenbijbel
De tachtig jarige oorlog was voor Twente en Overijssel een tijd van plundering en achteruitgang. Staatse en Spaanse troepen hielden huis op het platteland. Boerenerven kwamen leeg te staan en bouwland verwilderde. Het calvinisme had weinig aanhang onder de bevolking, zo is de Beeldenstorm compleet aan Overijssel voorbij gegaan. Oldenzaal is lange tijd in Spaanse handen.
Het protestantisme dat gedwongen ingevoerd wordt, vindt weinig weerklank en grote delen van Twente blijven katholiek.
Alhoewel er na de tachtig jarige oorlog officieel in de republiek der zeven provinciën gewetensvrijheid heerste, werd ieder Nederlander geacht over te stappen naar de gereformeerde kerk. Het werd de katholieken niet gemakkelijk gemaakt. Hun kerkgebouwen werden geconfisqueerd. In schuilkerken en schuurkerken werden geheime bijeenkomsten georganiseerd. Om een openbaar ambt te bekleden is lidmaatschap van de hervormde kerk verplicht.
Een strijdpunt uit de reformatie is de vraag voor wie de bijbel bedoeld was. De katholieke geestelijkheid was van mening dat de bijbel liefst niet door gewone mensen gelezen moest worden; die konden in de kerk luisteren naar de uitleg van de geestelijken, die de bijbel in het Latijn lazen. Zij traden op als bemiddelaars tussen God en de gelovigen.
De protestanten daarentegen meenden dat iedere gelovige zelf de bijbel hoorde te lezen en dat een predikant in de eerste plaats een dienaar van het woord van God was. Dat betekende dus ook dat de bijbel in de eigen taal beschikbaar moest zijn, liefst in een zo betrouwbaar mogelijke vertaling. De synode van Dordrecht gaf in 1618 de opdracht tot een vertaling vanuit het Grieks en Hebreeuws. Deze statenbijbel, omdat hij door de staten generaal betaald werd, is 300 jaar de standaard bijbel geweest en heeft een grote invloed gehad op de Nederlandse cultuur en taal. In 1637 is de vertaling gereed en tussen 1637 en 1657 worden er enkele honderdduizenden exemplaren gedrukt. Uitdrukkingen zoals âin het zweet zijns aanschijnsâ, âop handen gedragenâ en âeen lust voor het oogâ stammen uit de statenbijbel.
Harmannus van BeverfordeHermannus van Beverforde werd in 1725 geboren als zoon van Jan Hendrik van Beverforde en Maria Keller van Neuenhaus.
Harmannus van Beverforde
Hermannus werd in 1725 geboren als zoon van Jan Hendrik van Beverforde en Maria Keller van Neuenhaus. Zijn vader Jan kwam na een lang slepende erfeniskwestie vlak voor zijn geboorte in het bezit van de Hof Ootmarsum. Het totaal van onroerende goederen dat in de loop der eeuwen door schenking en aankoop in een stelsel van horigheid bijeengebracht was. Jan moest hier diep voor in de buidel tasten en twee hypotheken afsluiten. Feitelijk was de hof, door overerving al sinds 1612 in handen van de familie van Beverforde. Zij voerden de titel van Hofmeier, beheerder van horige goederen maar in feite waren het grootgrond bezitters.
In 1748 trouwt Hermannus met Antonetta ten Cate. Antonettaâs zuster Anna trouwt vrijwel tegelijkertijd met Johan Georg Dröghoorn. . Het huwelijk van Hermannus en Antonetta is van korte duur want 3 dagen na de geboorte van hun zoon Anthony in 1756 sterft Antonetta in het kraambed.
In 1767 trouwt Hermannus voor de tweede maal. Dit maal met Mettina Alegonda Cramer- Knijpinga. Zie was afkomstig uit Groningen en weduwe van Hermannus Cramer uit Ootmarsum. Beiden brachten uit hun eerdere huwelijk een zoon mee; Hermannus, Anthony van Beverforde en Mettina, Hendrik Knijpinga Cramer. Ze namen hun intrek in het Hofmeiershuis aan de grote straat in Ootmarsum. Tussen de twee stiefbroers is het nooit wat geworden. Veel ruzies en conflicten rondom geldzaken. Dit tot groot verdriet van Mettina die in wanhoop zelfs een zelfmoordpoging doet in de achter het huis lopende stadsgracht.
Drie belangrijke Ootmarsumse families zijn dan aan elkaar gelieerd. Van Beverforde en Dröghoorn via de eerste vrouw van Hermannus en van Beverforde met Cramer via zijn tweede vrouw. Zij maakten alle drie deel uit van de veelal gereformeerde bestuurlijke en burgerlijke bovenlaag van Ootmarsum. Hermannus overleed in 1792 en werd als belangrijk man, in de grote kerk (destijds protestants) begraven.
Begraven in de Kerk was enkel weggelegd voor belangrijke mensen. Vaak lag het graf nog even open en dit zorgde voor een onaangename lijkgeur in de kerk. Vandaar de uitdrukking ârijke stinkerdsâ.
AtlasEen atlas is een statussymbool. Hij geeft aan dat de bezitter kennis van de wereld heeft.
Atlas
Een atlas is een statussymbool. Hij geeft aan dat de bezitter kennis van de wereld heeft.
Deze atlas Bevat een reeks kopergravures van landkaarten en vogelvluchtperspectieven. De kaarten zijn gemaakt door verschillende cartografen en uitgevershuizen. De oudste gravures stammen uit 1605 en zijn gedrukt/gemaakt door Nicholaas Visscher. De nieuwste gravures zijn van het huis Seutter en stammen uit het eind van de 18e eeuw. Naast Seutter en Visscher bevat de atlas ook gravures van de Witt, Ottens, Hommano en anderen. In het totaal telt de Atlas 124 deels ingekleurde kaarten. Een dergelijke Atlas was een groot status symbool en een kostbaar bezit. De bezitter had kennis van de wereld. De kaarten gaven hoe de wereld gegroeid was door ontdekkingsreizen en handelscontacten. De kaarten zelf waren bijzonder fraai uitgevoerd, maar vaak verouderd. De feitelijkheid is van ondergeschikt belang. De atlas gaf aan dat de bezitter âeen man van de wereldâ erudiet en belezen was.
Johan Georg DröghoornJohan Georg Dröghoorn, de vader van Wennemar Hendrik was tot het midden van de jaren 70 van de 18e eeuw een welgesteld man.
Johan Georg Dröghoorn
Johan Georg Dröghoorn, de vader van Wennemar Hendrik was tot het midden van de jaren 70 van de 18e eeuw een welgesteld man. Hij volgde zijn vader op als rentmeester van het Huys Ootmarsum en bovendien was hij rentmeester van de stadhouderlijke domein in de grafschaft Bentheim. Daarnaast had hij inkomsten uit eigen boerderijen, huizen en stukken grond. Bovendien was de drost van Twente, Baron van Heiden Hompesch, hem een totaal van 13.000 gulden schuldig.
In 1775 wordt hij zonder opgave van redenen door de drost ontslagen. Als hij vervolgens zijn geld probeert terug te krijgen wil de drost alleen maar betalen met schulden die de boeren aan de drost hebben. Van Heiden zorgt ervoor dat Johan Georg ook zijn baan als rentmeester van de stadhouderlijke goederen verliest. Johan Georg heeft geen andere mogelijkheid dan de schulden te ruilen en staat vervolgens voor de ondankbare taak zijn 13.000 gulden weg te halen bij âde arme liedenâ. Wat de drost en zijne nieuwe rentmeester niet dachten te kunnen binnen krijgen mocht Johan Georg zien te innen.
Het verhaal gaat dat Johan Georg nog steeds op wraakt zint voor het onrecht dat hem is aangedaan. Zo zou hij nog altijd als het rode mannetje in het moeras de Ageler broek rondspoken. Om zijn schulden bij de boeren te innen gaat Johan op pad. Hij draagt daarbij een rood jasje. Johan is een slimme kerel en weet de boeren keer op keer te verassen en aardig wat van zijn kapitaal terug te halen.
In 1795 sterft Johan en, volgens het verhaal, wordt hij in de Ageler broek begraven aan de linkerzijde van een berkenboom. Een jaar later bezoeken familie en zijn getrouwen het graf. Tot hun verbazing bevindt dat zich nu aan de rechterzijde van de berkenboom. Elk jaar verplaatst het graf zich richting Ootmarsum. Eerst snel maar allengs langzamer en uiteindelijk met een hanentred, een hanenstap per jaar. Enkele jaren na zijn dood verdwijnen er in het Ageler broek een aantal kinderen uit Ootmarsum. Waarschijnlijk verdrinken deze in het moeras maar al snel gaat de praat door de stad dat het rode mannetje hier achter zit. Vervolgens wordt zijn schim steeds vaker gezien rond boerenerven in Tilligte en Agelo. Het rode mannetje zou niets vermoedende wandelaars met een rood lichtje het moeras inlokken om zich van hun geld meester te maken. Over een aantal jaren zal zijn graf op het museum arriveren. Daar waar ooit zijn gehate baas heeft gewoond. Wie weet wat er dan zal gebeuren?
Klopkeshuis op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Klopkeshuis
Een bijzondere groep vrouwen in Twente zijn de kloppen of klöpkes. Ten tijde van de katholieke schuilkerken trokken zij , al kloppend op ramen en deuren, langs de huizen van de gelovigen om te vertellen waar in het geheim een mis werd gelezen. In de tijd van de geloofsvervolging waren zij de voorposten van de contrareformatie.
Dit Klöpkeshoes is een kopie van de Mariakloese uit Noord-Deurningen de steen naast de deur âSoli deo Gloriaâ anno 1684 bevond zich ooit boven een klöpkeshoes op erf Jonkman in Deurningen. Alhoewel het klöpke een zekere status had was haar woning vaak niet meer dan een hutje dat soms tegen de boerderij of de stal aangebouwd was. Voor de boer was het een eer een klöpke te huisvesten. Het kon nooit slecht zijn met het oog op het hiernamaals.
Na de geloofsvervolging blijft het klöpke als een bijzondere instelling bestaan. De kloppen legden de gelofte van kuisheid af en bleven ongehuwd. Klöpkes droegen uniforme kleding, maar bleven in tegenstelling tot de nonnen op zichzelf wonen. In een kamer met een bedstede bij een getrouwde broer of zuster of in een klöpkeshoes.
Het klöpke had grote invloed in de gemeenschap en fungeerde als een soort van sociaal werkster. Dat dit niet altijd gewaardeerd werd blijkt uit een aantal Twentse gezegden over de vrome dames.
âNe klop is nen heilige in de keark, ne klappei op de stroat, en nen duuvel in hoesâ, een heilige in de kerk, een roddeltante op straat, en een duivel in huis. Ze bemoeiden zich nadrukkelijk met de opvoeding van de kinderen en waren de oren en ogen van de pastoor. Ze brachten hem al het nieuws, het mooie en het lelijke. Waar een klop in huis is, zit de duvel op de schoorsteen.
Hofkamer - Stad OotmarsumDe vroegste beschrijving van Ootmarsum stamt waarschijnlijk uit een beschrijving van het leven van bisschop Raboud.
Hofkamer - Stad Ootmarsum
De vroegste beschrijving van Ootmarsum stamt waarschijnlijk uit een beschrijving van het leven van bisschop Raboud. Dit heiligenleven dat door een Utrechtse kanunnik in de tweede helft van de 10e eeuw is geschreven, verhaalt over de dood van de heilige Radboud tijdens een reis in de oostelijke delen van zijn bisdom. Radboud wordt ziek en laat zich naar Ootmarsum vervoeren waar hij graag kwam. Radboud sterft in Ootmarsum in 917. De tekst meldt dat Ootmarsum bijzonder mooi gelegen is.
Gelegen aan een kruispunt van een belangrijke Noord-Zuid verbinding en de handelsroute van Noord-Duitsland naar Vlaanderen, ontwikkelt Ootmarsum zich als vestingstadje. In 1325 worden de stadsrechten van Ootmarsum bevestigd.
Vele stadsboerderijen hebben een gevelteken vaak gekruiste en gestileerde paardenkoppen. Van de sterk gestileerde vorm, zoals te zien op het Los Hoes, zijn Saksische voorbeelden bekend die dateren uit de eerste eeuw voor christus. Voor de Saksen was het paard , en met name een schimmel, een heilig dier. Deze paarden moesten dan ook het onheil buiten de boerderij houden. Een ander wijd verbreide oervorm van het gevelteken is de donderbezem een uitwerking van de bliksemschichten die Thor of Donar op de aarde werpt. Het teken beschermt tegen tovenarij en natuurlijk het onweer. Tegen onweer werd ook vaak huislook op het rieten dak geplant.
Sinds het midden van de 18e eeuw komen katholieke en protestantse geveltekens in zwang. De katholieke tekens bevatten veel kerkelijke symbolen zoals, het kruis, de kelk en de hostie. Het protestantse teken is meer een puur decoratief teken. Soms komt de lelie als symbool van de hervormden komt vaak voor en ook het vaas motief is vrij algemeen.
Een koets met paardenkracht was tweehonderd jaar geleden het enige vervoermiddel op het platteland. Er waren toen nog geen verharde wegen en over zandwegen moest men vaak reizen van vele dagen afleggen. Bij de herbergen in de verschillende dorpen kon men de paarden verwisselen. De gouden koets is een keer per jaar nog steeds een spectaculair gezicht. Op het platteland had de boer vaak enkele paarden. Dat waren zware paarden voor het zware werk, de z.g. âBelsenâ en wat luxere paarden voor de koets.
Dat aanspannen van het paard was een hele klus, maar ook het mennen van het paard zodat je met de koets op weg kon, was niet eenvoudig. Wanneer je het helemaal verkeerd deed dat kreeg je te horen : â Je moet het paard niet achter de wagen spannen !â
De boodschappenwagen was de Huifkar ofwel Zeilwagen. Hiermee werden de voorraden van en naar de markt gebracht en gehaald. Bij bijzondere gelegenheden zoals een bruiloft, werd de huifkar mooi versierd met papieren roosjes.
De Sjees is een kleine koets met twee wielen en is voor het vervoer van twee personen
De landauer is een sjieke open koets die door de welgestelde burgers werd gebruikt.
De kerkwagen is een klein koetsje met een soort cabine waarmee men ook bij slecht weer in de zondagse kleren, zonder nat te worden, het bezoek aan de kerk kon brengen.
Vroeger was er geen openbaar vervoer en de postkoets bood ruimte aan een paar personen en zo kwam langzaam het openbaar vervoer op gang.
In de steden reed toen de Omnibus, een lange wagen met plek voor meerdere personen, getrokken door paarden. Tot op de dag van vandaag rijden die wagens hier nog in de omgeving : ze heten een â Jan Plezierâ. Het is en koets voor 10 tot 15 personen voor een lekker rustig tochtje door stadjes, dorpen, bos en heide.
Wagenschuur op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Wagenschuur
Van klein tot groot waren de wagens die in en om de boerderij werden gebruikt. Van eenvoudige kruiwagen, tot bolderkar, een stortkar, tot zware hooiwagens en oogstwagens.
De wagens hebben houten wielen, vaak met een metalen hoepel er om heen, soms 2, soms 4 wielen en vaak ook een draaibaar onderstel. De dissel of boom is de lange balk waaraan de paarden aangespannen worden. Met de mestkar werd de mest uit de stal uitgereden op het land. Er is een oogstwagen waarmee de aardappelen, bieten en knollen mee werden vervoerd. De hooiwagen is een wagen die voorzien wordt van steunstokken zodat het hooi hoog opgepakt kan worden. Wanneer je bij het hooien te grote hoeveelheden hooi oppakte dan viel het meeste er vaak af. â Je moet nooit teveel hooi op je vork nemenâ. De hooiwagens en het werken van de hele familie op het land in de zomer, was een mooi schouwspel dat op talloze schilderijen terug te vinden is.
De paaswagens
Drie grote zware wagens staan hier een jaar lang te wachten om met Pasen van stal te worden gehaald en dienst te doen bij de paastradities. De organisatoren van deze tradities in Ootmarsum, âDe Poaskeerlsâ gebruiken deze wagens om het hout voor het paasvuur op te halen uit het natuurgebied in de omgeving. Op paaszaterdag wordt onder grote belangstelling dit paashout opgehaald . De drie wagens, voortgetrokken door elk twee sterke âBelsenâ worden zo afgeladen vol geladen dat ze bij de doortocht in he centrum van Ootmarsum aan beide kanten van de straat de huizen raken. Het paashout wordt onder het zingen van de paasliederen naar de paasweide gebracht waar het vuur op eerste paasdag om acht uur s âavonds wordt ontstoken als symbool voor het nieuwe leven dat de zomer gaat brengen.
Heinenboer op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Heinenboer
Op het moment dat het veld, de heide, grootschalig ontgonnen kan gaan worden in Twente, stapt men over op een ander boerderijtype. Het los Hoes type dat tot op dat moment dominant is geweest in deze regio, wordt vervangen door een luxer boerderijtype waarin mens en dier gescheiden leven.
Deze boerderij is van een kleine keuterboer en stamt uit 1850. Alhoewel kleiner is hij toch een stuk comfortabeler dan een Los Hoes. Mens en dier leven gescheiden. De boerin beschikt over een fornuis en een spoelkeuken met een waterpomp. Geslapen wordt er in een bed en niet meer in een bedstede. Ook is er, zeer luxe, een toilet in het gebouw, een gemak. Dankzij dit gemak hoefde men regen en wind niet te trotseren om naar het huisje te gaan. Een dergelijk gemak had men ook in de dodencel daar kon men op zân dooie gemak doen wat men moest doen.
De boer had waarschijnlijk naast zijn boerenbedrijf nog neven inkomsten. Waarschijnlijk werd er sâ winters geld verdiend door dokken te maken. Dokken zijn de stroproppen die onder de dakpannen gingen om het dak regendichter te maken.
De boerin had als bijverdienste kantklossen. Kant is kostbaar en zeer arbeidsintensief. Hoe rijker de boer hoe breder het kant aan de knipmuts van de boerin. Wie het breed heeft , laat het breed hangen.
Met 12 kinderen in een dergelijk klein huisje was het wel passen en meten. De oudere kinderen sliepen dan ook direct onder de dakpannen, op de hiel. De lage zolder boven de veestallen. Als ze geluk hadden sliepen ze boven de koeien dan hadden ze âs winters vloer verwarming.
Men sliep in de regel met de kleren aan en als het âs nachts buiten sneeuwde dan moest men âs ochtends âde snee van de dekkeâ slaan
Boerderijtje Heinenboer - NoabersOm als noaber gevraagd te worden is een eer, maar ook niet iets dat je lichtvaardig op je neemt.
Boerderijtje Heinenboer - De deelOp de deel werd gewerkt. De rogge werd op de vloer uitgespreid en de jongemannen sloegen met dorsknuppels en vlegels de graankorrels uit de aren.
Boerderijtje Heinenboer - De deel
Op de deel werd gewerkt. De rogge werd op de vloer uitgespreid en de jongemannen sloegen met dorsknuppels en vlegels de graankorrels uit de aren. In een regelmatig tempo âom de haverklapâ sloegen de vlegels. De jongemannen, de vlegels hadden zelfs na werktijd nog energie over om de dames het hof te maken, vandaar dat men ook wel spreekt van de vlegeljaren. De onbekommerde tijd van kameraadschap en avontuur. Na het verwijderen van het stro, dat o.a. gebruikt werd om dokken van te maken beleef er op de dorsvloer kaf , koren en stof over. Met de wanne werd dit opgeschud waardoor de wind de lichtere delen, het kaf en het stof wegblies. In de wanne hield men dan het koren over. Het kaf van het koren scheiden is nog steeds een spreekwoord dat hieraan herinnerd.
Om de huwelijksmarkt te stimuleren werd er af en toe op de deel een âspinvisietâ , spinvisite georganiseerd. De jonge boerendochter nodigde dan haar vriendinnen uit om gezamenlijk het draad te spinnen op de deel. Het spinnenwiel lieten deze vriendinnen dan dragen door een ongetrouwde broer. Dan had men allen van huwbare leeftijd bij elkaar en werd er ongein uitgehaald. De boerin keek de andere kant op als er twee in het hooi verdwenen.
Slachthoek
Je weet wat voor vlees je in de kuip hebt, wanneer je zelf je eigen varkens slacht. Op elke boerderij werd in het najaar geslacht. De lokale slager hielp hierbij vaak bij. Alle onderdelen van het varken werden gebruikt. Het varken werd doormidden gehakt en per helft aan een ladder gehangen. Bij het uitbenen kwamen hammen en spek vrij en andere delen werden met een vleesmolen kleiner vermalen om in te wecken en worst van te maken. Bloedworst en leverworst zijn een Twentse specialiteit. Net als de Twentse balkenbrij die gemaakt wordt van boekweitmeel, lever, spek en veel kruiden. â Nich veurdat nen boer ân balkenbrij op hef, begeent hee an ân scheenkn.â Het lekkerste van het varken werd steeds tot het laatst bewaard.
Kapberg op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Kapberg
Al vanaf de middeleeuwen werd het stro en hooi dat zomers van het land kwam, bewaard omdat het vee in de winter ook te eten moest hebben. Deze voorraad werd opgeslagen in een hooiberg ook wel hooimijt genoemd. De hooiberg heeft vier stevige â Roedenâ en een met riet gedekt dak dat verstelbaar is. Naargelang de voorraad ging het dak omhoog of omlaag zodat de inhoud niet nat kon worden. Een gevulde hooiberg heeft een behoorlijke omvang. Probeer dan maar eens een speld in een hooiberg te vindenâŠ.
Deze hooiberg heeft aan elke roede een zwengel en een staalkabel waarmee het dak versteld wordt. Het gebruik van de hooibergen verdween toen met machines de bekende hoekige strobalen werden gemaakt die gemakkelijker op te slaan waren.
BroodbakkenEen filmpje oven het ambachtelijke broodbakken
Broodbakken
Hier wordt ambachtelijk brood gebakken door Thomas Stork
Bijenstal op het Openluchtmuseum Ootmarsum.
Bijenstal
â Oh, wat bint dee biejn drokâ , wat zijn de bijen weer druk in de weer. De bijenteelt is naar Twente gekomen via de monniken en kloosters. Op bijna de helft van de boerenerven was wel een âIemenschoerâ een bijenstal, te vinden. Vooral in de omgeving van de grote heidevelden.
Honing was vroeger kostbaar en vaak een betaalmiddel. De boeren konden hun huur betalen met honing. De Commanderie Ootmarsum kende in 1644 nog een twintigtal âWas-tinsige Meiersâ : boeren die verplicht een deel van de honingopbrengst aan de heer moesten afstaan.
Bijen zijn een belangrijke schakel in ons eco-stelsel. De bestuiving van de planten door de bijen is noodzakelijk om te kunnen voortleven : honing is een smakelijk bijproduct. Afgelopen jaren ging het steeds slechter met de bijen. Honderden bijenvolken legden het loodje.
â Waar de bij ligt uitgeteld is het droevig met het milieu gesteld.â