Smidse
Vroeger had bijna ieder dorp een eigen smid. En een wagenmaker. Die twee konden niet zonder elkaar. De wagenmaker maakte de houten wielen en de smid zorgde voor de ijzeren banden eromheen. En dat moest precies passen. Want een wiel verliezen onderweg was niet bepaald de bedoeling.
De smid verhitte de ijzeren band in zijn vuur, zodat die uitzette. Daarna werd hij om het houten wiel gelegd en met water afgekoeld. Het ijzer kromp weer en klemde zich stevig om het wiel. Een knap staaltje vakmanschap. Want was de band te groot, dan zat hij los. En was hij te klein, dan kwam je mooi te pas.
Ook de ijzeren pal waarmee het wiel op de as werd vastgezet, moest stevig zijn. Daar komt volgens de overlevering de uitdrukking pal staan vandaan. Niet wijken, wat er ook gebeurt.
En de smid heeft ons nog meer uitdrukkingen nagelaten. Je moet het ijzer smeden als het heet is. Of: veel ijzers in het vuur hebben. Dat laatste was voor een smid heel gewoon. Terwijl het ene stuk ijzer werd verhit, kon hij aan het andere werken. Tijd was toen ook al geld.
Kijk eens naar dit gebouw. Het is een zogenaamde doorritschuur. Aan de ene kant reed de boer met zijn wagen naar binnen en aan de andere kant kon hij er weer uit. Achteruitrijden was dus niet nodig. En dat was maar goed ook, want een paard had nu eenmaal geen achteruitkijkspiegel.
Op de boerderij waren trouwens nog heel wat andere werkzaamheden. Zo werden er dokken gemaakt: bundeltjes roggestro die onder de dakpannen werden gelegd om het dak beter tegen regen te beschermen. Dat moest zorgvuldig gebeuren, anders kreeg je bij een flinke bui de regen binnen. En dan moest je dokken.
Voor het aandrijven van machines gebruikte men soms een göbel, een rosmolen waarbij een paard voortdurend rondjes liep. Zwaar en eentonig werk. Het dier kreeg vaak oogkleppen op, zodat het niet werd afgeleid. En liep het te langzaam, dan kreeg het soms lange haver. Dat klinkt als iets lekkers, maar het betekende zweepslagen.
Niet iedere boer behandelde zijn paard even vriendelijk. Daarover bestond in Twente een veelzeggende uitspraak: Ik bin lééver zien biebel as zien peerd. Ik ben liever zijn bijbel dan zijn paard. Want op zijn bijbel slaat hij tenminste niet.
Zo vertelt deze oude schuur niet alleen over het werk op de boerderij, maar ook over de ambachten van vroeger. En die zijn hier nog springlevend! Tijdens de ambachtendagen van het museum laten vakmensen zien hoe er vroeger werd gewerkt. Hoe de smid het gloeiende ijzer bewerkt en hoe uit een eenvoudig stuk hout een klomp ontstaat.
En kun je er vandaag niet bij zijn? Geen nood. Bekijk dan de filmpjes bij dit gebouw. Zo kun je toch nog even over de schouder van de ambachtslieden meekijken. Gelukkig zonder dat je zelf je vingers hoeft te branden.
Men moet het ijzer smeden als het heet is. Je moet veel ijzers in het vuur hebben om door te kunnen werken. De schuur is er een van het type doorritschuur. Aan de ene zijde kan men de schuur binnen rijden en aan de andere zijde kan men uitrijden, zonder de wagen te hoeven draaien. Dokken maken Direct onder de pannen en op de panlatten werden bundels van stro gepakt. Die heten dokken. Het is het restant van de rogge. De volle lengte wordt een keer dubbel geslagen en met een paar strengen vastgeknoopt. Een precies werkje. Wanneer je dat niet goed doet loop het regenwater bij een zware bui naar binnen. En dan moet je dokken…. Veel machines waren aangesloten op een zo genaamde göbel. Aan deze rosmolen liep een paard. Dit zorgde voor de aandrijving. Het was voor een paard zwaar en saai werk er moest een constante kracht geleverd worden in een gelijkmatig tempo. Het paard had dan ook vaak oogkleppen op. Liep het paard te langzaam dan kon het lange haver krijgen : zweepslagen. Sommige boeren sprongen ruw om met hun paard. “ik bin lééver zien biebel as zien peerd. Ik ben liever zijn bijbel dan zijn paard, want daar kan hij niet op slaan.

Bekijk de de film
Ambachtelijk smeden
Luister en lees

