header
đŸ‡łđŸ‡±đŸ‡©đŸ‡Ș🇬🇧

Welkom!

Welkom bij het Openluchtmuseum Ootmarsum. Om makkelijk uw weg te vinden op het terrein van ons museum, kunt u gebruik maken van deze pagina op onze website. U vindt hier een plattegrond met daarop afbeeldingen van de 21 gebouwen. Door te klikken op een gebouw, wordt er een beschrijving van het gebouw getoond die u desgewenst ook kunt afspelen. Onder elke beschrijving staan meestal nog enkele aanklikbare kleine foto's. Aanvullende verhalen en filmpjes worden dan afgespeeld.

Uw huidige lokatie op het terrein wordt weergegeven met een blauwe cirkel. Door de vele bomen op ons terrein is er vaak een flinke afwijking in de GPS. Hoe groter de afwijking, hoe groter de blauwe cirkel. Als de aanwijzing nauwkeurig genoeg is en u bent dicht in de buurt van een van de gebouwen, dan wordt het betreffende gebouw geselecteerd. De bijbehorende tekst wordt voorgelezen. Bij de instellingen kunt u aangeven wat uw voorkeuren zijn.

Bij de meeste gebouwen wordt een looproute voorgesteld om naar het volgende gebouw te wandelen, uiteraard is dit slechts een suggestie.

Deze pagina heeft alleen de volledige functionaliteit als u op het museumterrein bent. Na uw bezoek kunt u thuis alle verhalen gedurende een week nog eens rustig nalezen.

Uw locatie is nog onbekend

QR

Scan deze QR-code bij de andere smart-phones in uw gezelschap.
Tip: Wilt u de Wegwijzer tijdens uw bezoek gemakkelijk terugvinden? Zet hem dan op uw beginscherm.
Los Hoes
Los Hoes
Los Hoes | Openluchtmuseum Ootmarsum

Los Hoes

Dit is het Los Hoes uit 1664. Hier leefden mensen en dieren samen in één grote ruimte, met het open vuur midden in de boerderij.
Stel je eens voor. Je woont met je hele gezin in een boerderij. De koeien staan een paar meter verderop, het varken knort aan de andere kant en midden in huis brandt een open vuur. Geen muren tussen mens en dier. Geen schoorsteen. En geen verwarming, behalve dat ene vuur.
Welkom in het Los Hoes.
In het Twents betekent hoes huis en los betekent onder andere open. Een Los Hoes is dus een open huis, waarin mensen en dieren samen onder één dak leefden. En dat was eeuwenlang heel gewoon in Twente.
Dit Los Hoes dateert uit 1664. Dat weten we heel precies dankzij een opschrift boven de grote toegangsdeuren, de niendeur.
Op 6 april van dat jaar gaven Lambert te Gronvelt en zijn vrouw Tryne een richtersmoal. Een feestelijke maaltijd voor alle noabers, de buren die hadden geholpen bij het oprichten van de zware houten gebinten. Want zo'n boerderij bouwen, dat deed je niet alleen. Daar had je de hele buurt voor nodig.
En die hulp werd niet met geld betaald, maar met wederdiensten, eten en drinken. Dat was noaberschap. Je hielp elkaar wanneer dat nodig was. En de volgende keer stond jij bij de buurman op het erf.
Kijk binnen maar eens goed rond. Als je met je rug naar de grote niendeur staat, zie je links de koeienstal. Rechts stond het varken. Daarnaast bevond zich de weefkamer, met daarachter de melkkamer. En aan de linkerkant waren de bedsteden waarin het gezin sliep.
Dat slapen ging trouwens anders dan tegenwoordig. De bedsteden waren kort en men sliep vaak half rechtop. Volgens een oude opvatting was plat op de rug slapen gevaarlijk. Men dacht dat het bloed dan naar het hoofd zou stromen, met alle gevolgen van dien. Bovendien kon een wat rechtere houding het ademhalen vergemakkelijken.
Midden in de boerderij brandde het losse vuur. Een open vuur zonder schoorsteen. De rook steeg op en trok langzaam door het dak naar buiten. Dat klinkt misschien ongezond, en dat was het natuurlijk ook. Maar die rook had een onverwacht voordeel.
Boven de woonruimte lag de oogst opgeslagen. De zolder bestond uit sleeten, lange, dunne boomstammetjes die naast elkaar lagen. De rook trok tussen die stammetjes door en hielp insecten in het opgeslagen graan te bestrijden.
Zo had zelfs die rook nog een nuttige functie. Al zullen de bewoners daar met tranende ogen niet altijd even gelukkig mee zijn geweest.
En dan was er nog de kat.
Die was onmisbaar om muizen en ratten uit de graanvoorraad te houden. Maar een kat kon ook overal komen, zelfs boven op de balken. Vandaar de Twentse bijnaam balknhaas.
Voor het slapengaan werd daarom een vuurkorf over het nog smeulende vuur geplaatst. Want stel je voor dat de kat door het vuur liep, zijn vacht vlam vatte en hij in paniek naar de hooizolder vluchtte. Dan kon de hele boerderij in vlammen opgaan.
Overigens bestaat er nog een merkwaardig verhaal over de naam Los Hoes. Volgens sommigen zou los betekenen dat de boerderij niet vast op de grond stond. De houten gebinten rustten immers op grote veldkeien en konden worden gedemonteerd. De boerderij zou daardoor verplaatsbaar zijn geweest en zelfs als roerend goed zijn beschouwd, zodat men minder belasting hoefde te betalen.
Een mooi verhaal. Maar het klopt niet.
Archeologisch onderzoek laat zien dat de Twentse boerenerven al sinds het midden van de dertiende eeuw grotendeels op dezelfde plaatsen liggen. De boerderijen werden wel verbouwd of opnieuw opgebouwd, maar niet voortdurend verplaatst om de belasting te ontlopen.
Kijk nog eens naar die grote houten gebinten. Ze dragen al eeuwenlang het dak en vertellen het verhaal van een tijd waarin wonen, werken, slapen en het verzorgen van dieren allemaal in dezelfde ruimte plaatsvonden.
En wanneer je straks weer buiten staat, bedenk dan eens hoe het hier op een koude winteravond moet zijn geweest. Het vuur knetterde, de koeien herkauwden hun voer, ergens knorde een varken en boven je hoofd scharrelde misschien een kat over de balken.
Gezellig? Misschien wel.
Maar een beetje privacy was er niet bij.
Los Hoes- Interieur
Los Hoes- Interieur

Luister en lees

Los Hoes- Interieur

Rond het losse vuur vertelde men elkaar ’s avonds spannende verhalen, sagen. Vertelsels waarin het bovennatuurlijke voorkomt. Van Héémannekes tot de Kardoeshond. Als er een ‘Todde’, of een ‘ Kiepenkerl ‘, een marskramer, voorbij kwam, dan werden de nieuwtjes ‘van vuur tot vuur’ doorverteld. Het ging als een lopend vuurtje het dorp rond. De Todden woonden tot zo’n 50 kilometer over de grens in Duitsland, ze kwamen uit Oldenburg, Mettingen, en zelfs MĂŒnster. Beroemd waren twee broers Carl en August Brenninkmeijer : C & A en de familie Peek en Cloppenburg. Deze Todden verkochten van alles : voornamelijk textiel. Men zei dat; mocht er op de wereld een plek zijn waar nog geen Todde geweest was, deze plek waarschijnlijk ook niet de moeite van de reis waard was om te bezoeken. De Todden kochten bij de huiswevers het linnen in rollen op. Ze wisten precies waar de goede wevers woonden en bij dezen kochten ze in het voorjaar de rollen linnen op die ze in het najaar hadden besteld om ze elders weer te verkopen. Het was een ware kunst het linnen in strakke sierlijke rollen op te rollen. Deze linnen rollen, ‘dookrollen’ werden in het ’ kamnet ‘ (kabinet) bewaard. Deze linnenkast bij bijzondere gelegenheden uitgestald om de rijkdom te tonen. Waren de rollen niet breed genoeg voor de kast dan werd er nog wel eens, uit het zicht, een houtblokje achter gezet, om het meer te laten lijken. De rollen werden ook vaak geschonken. Wie een plaatsje ‘in het kamnet hef’, heeft een bevoorrechte positie bij die bepaalde familie. ’t Linnen kon door inwerking van vocht bederven, verspochten . De kwaliteit moest je dan ook overdag bij daglicht keuren. ‘Linnen en vrouwleu mu’j nich bie de laamp opdoon’. Naast het kamnet staat de spinde, de voorraadkast. Op de bovenste plank werd het beste en lekkerste eten bewaard.. Boven het vuur hangt de ‘ haol’ , ofwel het hangijzer. Hier hangt de ketel aan om water te koken of een steun om de koekenpan op te zetten. Het hete hangijzer kennen we allemaal daar kom je liever niet aan. Het laatste werkje van de week voor de meid, voordat ze vrij was, was het schoonmaken van de haal. Ze kon dan aan de haal gaan.
Los Hoes - Bedstede, goastok
Los Hoes - Bedstede, goastok

Luister en lees

Los Hoes - Bedstede, goastok

De boer en de boerin sliepen in de bedstede het dichtst bij het vee. De andere bedstede was voor de kinderen. In een bedstede konden wel vier kleine kinderen slapen. Twee met het hoofd aan de ene zijde en twee met het hoofd aan de andere zijde. De knecht en de meid sliepen op de lage zoldering, de hiel. Waren er veel kinderen dan werd er ook weleens onder de bedstede van de ouders een bedje of grote lade gemaakt, hier sliep dan het ondergeschoven kindje. Vlak bij of in zijn bedstede had de boer zijn goastok. Een prachtige wandelstok waarmee hij kon gaan, goan en het gevaar van zich af kon slaan, sloan. De goastok wordt door de natuur gemaakt . Wikkel een kamperfoelie om een tak en laat beiden groeien. Kap de tak als hij groot genoeg is en verwijder de kamperfoelie en zet er een ronde knop op. Een mooi verhaal over een goastok is dat van Gait. Gait was voor de duvel niet bang en dat zei hij te pas en te onpas. Je kon Gait niet tegenkomen of hij zei: ‘ik ben voor de duvel niet bang’. Gaits zuster was uitgenodigd voor een spinvisiet in Vasse en Gait moest het spinnewiel dragen. Marietje was er ook en het was erg gezellig. Maar gedurende de spinvisiet werd het weer slechter en slechter. Er kwam een geweldig donderschoer, een onweer, aan. Het weer werd zelfs zo slecht dat de boerin zei ; Jong’s jullie mogen wel blijven slapen. Dan is het Ă©cht slecht weer. Maar Gait.. Gait was voor de duuvel niet bang zeiden zijn kameraden, dus hij kon wel naar huis. Gait kan hier niet onderuit, hij wil zich niet laten kennen. Hij pakt zijn goastok, en gaat op pad door regen en onweer. Op de deel vinden zijn kameraden een koeienhuid en een koeienschedel en ze besluiten Gait een lesje te leren. Zijn beste vriend slaat de huid om en zet de schedel op. Hij verstopt zich langs de landweg in de sloot. Gait komt voorbij met zijn goastok, een bliksemflits verlicht het veld en zijn vriend springt op: “Booh Gait ik ben de duuvel”. Gait schrikt zich een ongeluk, maar bedenkt zich geen moment. Hij pakt zijn goastok en slaat de duuvel recht tussen de ogen. Het volgende moment is het weer donker en de duuvel is verdwenen. Gait voelt zich een hele kerel en loopt fluitend door de regen terug naar huis. De volgende dag komt hij zijn kameraden tegen in de stad en vol trots vertelt hij van zijn brave daad. Daarop gaan de kameraden zoeken en vinden in de sloot Gaits beste kameraad met een gigantische bult op z’n kop. Volgens het verhaal is Gait nooit meer op spinvisiet gevraagd. Zo zie je maar weer; voor de duuvel hoef je niet bang te zijn : je moet er alleen niet over opscheppen.
Hoofdingang
Hoofdingang
Hoofdingang | Openluchtmuseum Ootmarsum

Hoofdingang

Leu, kom d'rin, dan kuj d'roet kieken!
Of, voor wie het Twents nog niet helemaal machtig is: mensen, kom binnen, dan kun je naar buiten kijken!
Welkom in het Openluchtmuseum Ootmarsum. Een museum waar je niet alleen naar oude gebouwen kijkt, maar waar achter iedere deur een verhaal schuilgaat. Over de mensen die hier woonden, hoe ze werkten, wat ze aten en hoe ze sliepen. Over hun gewoonten, hun geloof, hun taal en hun dagelijks bestaan.
Het zijn verhalen over boeren en burgers, over ridders en baronnen, over bisschoppen en bestuurders. Over armoede en rijkdom, over oorlog en vrede. Maar ook over heel gewone dingen. Hoe bakte je vroeger brood? Waar sliep je als je met twaalf kinderen in een kleine boerderij woonde? En waarom had een boer eigenlijk zoveel verschillende schuren nodig?
Dit is het verhaal van Twente. Het land van de oude Tubanten. Het land van Heeren en Boeren. Een streek waar het leven eeuwenlang werd bepaald door de landbouw, maar waar ook handel, ambachten en later de textielindustrie hun sporen hebben achtergelaten.
En dan is er natuurlijk de taal. Want in Twente sprak men niet zomaar Nederlands. Hier sprak men Twents, een variant van het Nedersaksisch. Een taal die niet alleen in Oost-Nederland wordt gesproken, maar verwant is aan de streektalen in een groot deel van Noord-Duitsland. In de middeleeuwen speelde het Middelnederduits zelfs een belangrijke rol als handels- en schrijftaal van de Hanze.
Het Nedersaksisch is tegenwoordig officieel erkend als regionale taal. Maar het aantal mensen dat het dagelijks spreekt, neemt af. Vooral onder jongeren. Gelukkig groeit ook de belangstelling weer. Want met een taal verdwijnen niet alleen woorden, maar ook verhalen, humor en een heel eigen manier om naar de wereld te kijken.
Neem nou het woord gieteling. Dat is gewoon een merel. En een kateeker? Dat is een eekhoorntje. Misschien zie je er straks wel eentje tussen de bomen. En als je onderweg iemand good goan hoort zeggen, dan wenst die je een goede reis. Ook al hoef je vandaag niet zo ver.
In dit museum ontdek je hoe onze voorouders leefden. Niet alleen door te kijken, maar ook door te luisteren. Bij de gebouwen vind je verhalen en filmpjes die je meenemen naar het Twente van vroeger. Soms leerzaam, soms verrassend en af en toe met een glimlach.
Want geschiedenis hoeft niet stoffig te zijn. Het gaat uiteindelijk over mensen zoals wij. Mensen die liefhadden, ruzie maakten, hard werkten, feestvierden en probeerden er het beste van te maken. Alleen hadden ze wat minder gemak dan wij tegenwoordig.
Dus neem rustig de tijd. Wandel over het terrein, kijk eens binnen in de oude gebouwen en ontdek de verhalen die hier bewaard zijn gebleven.
En wie weet begrijp je na afloop niet alleen wat beter hoe onze voorouders leefden, maar ook waarom wij Twentenaren zijn zoals we zijn.
Leu, vul plezeer. En good goan!
Een mooie beleving van de historie van Twente
Een mooie beleving van de historie van Twente

Luister en lees

Een mooie beleving van de historie van Twente

Het Openluchtmuseum Ootmarsum heeft als ondertitel ‘Land van Heeren en Boeren’. Het museum geeft een beeld hoe de mensen in Twente tweehonderd jaar geleden leefden. De boeren, die vaak als pachter een stoer, armoedig en eenzaam bestaan hadden, maar ook de ‘Heeren’, die aangesteld waren de bezittingen te beheren. In Ootmarsum waren veel ‘hoge Heeren’: de Hofmeier, die in naam van de bisschop meer dan 100 boerderijen moest beheren, de Drost van Twente, die door de stadhouder was aangesteld en die mocht rechtspreken en belasting innen en de Commandeur, die woonde op de verdwenen Commanderie Ootmarsum, een klooster van de Ridderlijke Duits Orde. Het woonhuis van de laatste Drost van Twente kan worden bezocht, in het museumpark is een expositie over de Hofmeiers te zien en er wordt gewerkt aan een expositie over de Commanderie van Ootmarsum. En de boeren? Wel, “De boer hij ploegde voort
..” . Het grootste deel van het museumpark toont hoe de boeren vroeger leefden. Dicht bij de natuur, sober, zelfvoorzienend en ambachtelijk. Land bewerken, wonen, veeteelt, tradities, kleding, gereedschappen en vaardigheden zoals weven, spinnen, houtbewer¬king, smeden, etc., het komt allemaal voorbij. Het is natuurlijk aardig om de bijgaande teksten van de audiotours nog eens na te lezen, maar het is natuur¬lijk veel spannender nog eens terug te komen en je onder te dompelen in het landleven van het Twente van tweehonderd jaar geleden.
Het museum is  als een verhaal
Het museum is als een verhaal

Luister en lees

Het museum is als een verhaal

“Leu , kom d’rin dan kuj d’roet kieken.” Mensen wees welkom, kom binnen dan kun je naar buiten kijken. Het museum is als een verhaal. Een verhaal over mensen; over waar en hoe ze woonden wat hen bezighield, wat ze aten, hoe ze sliepen, hun gewoonten en ambachten, over taal en over gebruiken , over geloof, over armoede, strijd en rijkdom, van oorlog en vrede. Dit verhaal gaat over ridders, goastokken, noabers, baronnen, burgers en bisschoppen . Over textiel, over landbouw, geveltekens en klöpkes. Over bestuur en over ontwikkeling. En dat alles ter lering en vermaak. Opdat we weten wie we zijn en waar we vandaan komen, wat ons beweegt en misschien zelfs waarom. Dit museum vertelt het verhaal van deze regio. Het land van de Tubanti, Twente : het land van Heeren en Boeren. Het plaatselijk dialect is een variant van het Nedersaksisch. Het Nedersaksisch is een officieel erkende streektaal . Het taalgebied omvat geheel Noord Duitsland tot de Poolse en over de Deense grens. In Nederland wordt Nedersaksisch gesproken in Groningen, Drenthe, Overijssel, zuid Friesland, de Veluwe en in de Achterhoek. In de middeleeuwen was het Nedersaksisch een zeer prominente taal het was de officiĂ«le voertaal van de Hanze. Als taal wordt het Nedersaksisch erg bedreigd. Nog slechts 25 procent van de volwassenen en 4 procent van hun kinderen, in het taalgebied spreekt Nedersaksisch. De laatste jaren is er weer meer waardering en interesse in de taal. Het succes van de regio soap Van Jonge Leu en Oale Groond is daar een voorbeeld van. Oh, ja een ‘ gieteling’ is een merel en als u geluk heeft ziet u misschien een ‘kateeker’ (een eekhoorntje).
Goodgoan
Goodgoan

Luister en lees

Goodgoan

“Volle geluk in ’n tuk” zegt men hier vaak wanneer je weggaat. We hopen dat deze reis door de vroegere tijden van de Heeren en de boeren in Twente niet alleen een plezierige tocht was, maar ook bezinning heeft gebracht. In het Twenteland van nu is nog steeds de aard van de stoere noeste werker met een nuchtere levensopvatting te bespeuren. Hier hebt ze “ tied zat”. Onthaasten en jezelf zijn is voor veel stress een goeie medicijn. We hopen u nog eens in het Land van Heeren en Boeren te mogen begroeten en zeggen voor nu :

“Goodgoan”

Pauwenren
Pauwenren
Pauwenren | Openluchtmuseum Ootmarsum

Pauwenren

Dit is de Pauwenren, het onderkomen van de pauwen van het museum. Vooral de mannetjes trekken de aandacht met hun prachtige verenkleed, dat ze tijdens de balts als een grote waaier uitspreiden.
Kijk eens wie hier wonen! Een paar van de meest kleurrijke bewoners van het Openluchtmuseum: de pauwen. Ze hebben hun eigen onderkomen, met een ruime buitenren. En die is enkele jaren geleden helemaal opnieuw opgebouwd.
De pauw is een bijzondere vogel. Vooral het mannetje. Dat heeft een schitterend verenkleed met lange, kleurrijke sierveren. En als hij indruk wil maken op een vrouwtje, zet hij die veren wijd uit als een enorme waaier. Dat noemen we pronken. En pronken, dat kan een pauw als de beste.
Het vrouwtje, de pauwin, ziet er een stuk bescheidener uit. Zij heeft geen indrukwekkende sleep met sierveren, maar dat heeft een goede reden. Met haar onopvallende kleuren valt ze veel minder op wanneer ze op haar eieren zit te broeden.
En wist je dat die prachtige pauwenstaart eigenlijk geen echte staart is? De lange veren groeien op de rug, vlak vóór de staart. De echte staartveren zitten eronder en helpen de grote waaier overeind te houden. De natuur heeft er goed over nagedacht.
Maar mooi zijn is niet alles. Want wie denkt dat zo'n elegante vogel ook prachtig kan zingen, komt bedrogen uit. De roep van een pauw klinkt eerder als een luide, schorre schreeuw. En die kan behoorlijk ver dragen. Vooral in de paartijd laten de mannetjes graag van zich horen.
Pauwen kunnen trouwens ook vliegen. Niet bijzonder ver, maar wel hoog genoeg om bijvoorbeeld in een boom te overnachten. Dat doen ze van nature om veilig te zijn voor roofdieren. Je zou het niet verwachten van een vogel die zo'n enorme verenpracht met zich meesleept.
Oorspronkelijk komen de bekende blauwe pauwen uit Zuid-Azië, vooral uit India. Al eeuwenlang worden ze ook in Europa gehouden, onder andere bij kastelen, buitenplaatsen en op grote erven. Niet vanwege hun eieren of hun vlees, maar vooral vanwege hun schoonheid.
En zo hebben ook deze pauwen hun eigen plekje gekregen in het museum. Ze blijven in hun ruime ren, waar je ze rustig kunt bewonderen. Misschien heb je geluk en spreidt het mannetje zijn prachtige veren.
En doet hij dat niet? Ach, dan heeft hij vandaag blijkbaar geen behoefte aan bewondering. Ook een pauw heeft weleens een vrije dag.
Klopkeshuis
Klopkeshuis
Klopkeshuis | Openluchtmuseum Ootmarsum

Klopkeshuis

Dit is het Klöpkeshoes, een reconstructie van een eenvoudig huisje waarin vroeger een klöpke kon wonen. Deze ongehuwde katholieke vrouwen speelden een belangrijke rol in het geloofsleven, de opvoeding en de zorg voor hun dorpsgenoten.
Een klein huisje, met een bijzonder verhaal. Want hier woonde vroeger geen gewoon boerengezin, maar een vrouw die in Twente een belangrijke rol speelde: een klöpke.
Klöpkes, ook wel kloppen genoemd, waren katholieke vrouwen die hun leven aan het geloof wijdden. Ze leefden als een soort nonnen, maar zonder klooster. Ze bleven ongehuwd, leefden kuis en droegen vaak herkenbare, eenvoudige kleding. Maar anders dan kloosterzusters woonden ze gewoon tussen de mensen.
Hun geschiedenis gaat terug tot de tijd waarin de katholieke godsdienst in de Republiek niet meer openlijk mocht worden uitgeoefend. Kerken kwamen in protestantse handen en katholieken moesten hun missen op verborgen plaatsen houden. En daar kwamen de klöpkes in beeld.
Volgens de overlevering trokken ze langs de huizen van katholieke gezinnen. Ze klopten op ramen en deuren om te vertellen waar en wanneer er weer een mis zou worden opgedragen. Of hun naam werkelijk van dat kloppen afkomstig is, weten we niet zeker. Maar het is wel een mooi verhaal.
De klöpkes waren veel meer dan boodschappers. Ze hielpen bij de geloofsopvoeding van kinderen, verzorgden zieken en ondersteunden gezinnen die het moeilijk hadden. Ze vormden een belangrijke verbinding tussen de pastoor en de katholieke gemeenschap. En omdat ze overal kwamen, wisten ze vaak precies wat er in het dorp speelde.
Dit Klöpkeshoes is een reconstructie naar het voorbeeld van de Mariakloese uit Noord-Deurningen. De gevelsteen met de woorden Soli Deo Gloria, alleen aan God de eer, en het jaartal 1684, was oorspronkelijk afkomstig van een klöpkeshoes op het erf Jonkman in Deurningen.
Een klöpke had weliswaar aanzien, maar leefde meestal heel eenvoudig. Soms had ze niet meer dan een kamertje met een bedstede bij familie in huis. Soms woonde ze in een klein huisje, zoals dit, dat tegen een boerderij of stal kon zijn aangebouwd. Voor een boer was het een eer om een klöpke onderdak te bieden. En wie weet leverde het ook nog een goed woordje op bij de hemelpoort.
Ook toen katholieken hun geloof weer vrijer konden uitoefenen, bleven de klöpkes nog lange tijd een vertrouwd verschijnsel in Twente. Ze hielpen de pastoor, hielden zich bezig met de opvoeding en bemoeiden zich met het wel en wee van de dorpsbewoners.
Maar niet iedereen was daar even blij mee. Want wie overal komt, hoort ook overal wat. En wie alles hoort, kan soms moeilijk zijn mond houden.
Daar hadden de Twentenaren een prachtig gezegde voor:
Ne klop is nen heilige in de keark, ne klappei op de stroat, en nen duuvel in hoes.
Oftewel: een heilige in de kerk, een roddeltante op straat en een duivel in huis.
En er was nog zo'n uitspraak:
Woar ne klop in hoes is, zit den duuvel op 'n schosteen.
Waar een klöpke in huis is, zit de duivel op de schoorsteen.
Dat klinkt niet bepaald als een compliment. Maar het laat wel zien hoeveel invloed deze vrouwen hadden. Ze waren een steun voor velen, maar konden ook behoorlijk streng zijn. En ze hielden niet alleen de kinderen in de gaten. Ook de volwassenen moesten soms oppassen.
Zo vertelt dit kleine huisje het verhaal van vrouwen die zonder officiële kerkelijke functie toch een grote rol speelden in het dagelijks leven. Vrouwen met overtuiging, zelfstandigheid en soms een behoorlijk scherpe tong.
En mocht je denken dat er vroeger in Twente weinig geroddeld werd... dan heb je blijkbaar nog nooit van de klöpkes gehoord.
Eppinkschuur
Eppinkschuur
Eppinkschuur | Openluchtmuseum Ootmarsum

Eppinkschuur

Dit is de Eppinkschuur, een voormalige stadsboerderij uit Ootmarsum. In de jaren zeventig werd het gebouw afgebroken en hier opnieuw opgebouwd. De grote deeldeuren herinneren nog aan de tijd dat boerenwagens naar binnen reden.
Een boerderij midden in de stad? Jazeker! Deze stadsboerderij stond vroeger aan de wal in Ootmarsum en werd bewoond door de familie Eppink. Het was een zogenaamd Los Hoes, een boerderij waar mensen en dieren oorspronkelijk onder één dak leefden.
En die naam Eppink? Die vertelt ook nog iets. In het Nedersaksisch betekent de uitgang ink of ing bij veel oude familienamen zoiets als ‘afstammeling van’. Eppink betekent dus: zoon van Eppe. En Geerdink? Precies, zoon van Geerd. Zo dragen heel wat families in Twente hun geschiedenis gewoon in hun achternaam mee.
In de jaren zeventig werd de boerderij door vrijwilligers zorgvuldig afgebroken en hier op het museumterrein weer opgebouwd. Daarbij werd zoveel mogelijk van het oorspronkelijke bouwmateriaal hergebruikt. Dat gebeurde trouwens met bijna alle historische gebouwen op dit terrein. Het museum is dus eigenlijk een verzameling verhuisde gebouwen. En dat zonder verhuisdozen.
Van de oorspronkelijke indeling van de Eppinkschuur is binnen niet veel meer te herkennen. Maar aan de buitenkant kun je nog goed zien dat het ooit een boerderij was. Kijk maar eens naar die grote dubbele deuren. Daarachter lag vroeger de deel, de werkvloer van de boerderij.
Midden tussen die deuren stond een houten paal, de stiepel. Die kon je eruit halen, zodat er een brede doorgang ontstond. Breed genoeg om met een volle boerenwagen naar binnen te rijden. Daar werd de oogst vervolgens op zolder opgeslagen. Handig bedacht, want zo hoefde de boer zijn oogst niet eerst buiten uit te laden.
En zo vertelt deze oude stadsboerderij nog altijd iets over het leven in Ootmarsum. Een tijd waarin wonen, werken en boeren heel vanzelfsprekend bij elkaar hoorden. Zelfs midden in de stad.
Hofstelsel
Hofstelsel

Luister en lees

Hofstelsel

Het hofstelsel is een uit de vroege middeleeuwen stammend systeem voor het beheer van landgoederen, de zogenaamde hoven. De heer verdeeld zijn landgoederen in kleinere stukken die georganiseerd worden rond een centrale hof of hoeve. De kleine eenheden werden uitgegeven aan horige boeren. In de roerige vroege middeleeuwen zochten vele kleine boeren bescherming bij een heer. Afhankelijk van zijn macht werden de verhoudingen tussen heer en boer vastgelegd. Deze konden dus per plaats en tijd verschillen. Dit werden de horige boeren. Een horige was een boer met bepaalde verplichtingen aan een Heer. Zij waren geen eigenaar van de grond maar hadden wel gebruiksrechten, konden bezit vergaren en hadden inspraak bij de overerving van de boerenhoeve die zij beheerden. Met deze rechten komen ook verplichtingen. Deze konden bestaan uit het afstaan van een deel van de oogst of hand en spandiensten voor de heer, de herendiensten. De relatie was tweezijdig ook de heer had plichten ten opzichte van de horige. Zo was de heer verantwoordelijk voor hun veiligheid. De horige was aan de grond, de aardkluit gebonden en kon dus niet verhuizen zonder toestemming van zijn heer. Ging de grond over aan een andere heer dan ook de horige. De rechten en plichten tussen horige en heer waren onderhevig aan constante onderhandeling tussen beide partijen. Oorlogshandelingen, misoogsten, het niet nakomen van verplichtingen of gebrek aan inkomen bij de heer waren mogelijkheden om rechten en plichten bij te stellen. De lijsten van goederen die de horigen verplicht waren af te dragen geeft een goed beeld van de producten die in de middeleeuwen, in deze regio verbouwd werden De lijsten omvatten onder andere; rogge, gerst, haver, bonen, bessen, honing, mout, snoek, schapen, varkens, kippen en runderen. Naarmate de middeleeuwen vorderen wordt er steeds meer pacht betaald in geld.
Hofmeier/ Van Beverforde
Hofmeier/ Van Beverforde

Luister en lees

Hofmeier/ Van Beverforde

Aan het hoofd van de hof stond een zogenaamde Hofmeier. In aanvang een horige die door persoonlijkheid en overwicht in staat was leiding te geven. De hofmeier was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken op de hof. Als vervanger van de heer sprak de hofmeier recht in onderlinge geschillen tussen de horigen, beheerde hij het bezit en inde hij de belastingen/pacht die de horigen schuldig waren voor het gebruik van het bezit van de heer. De grootste heer in Overijssel was sinds de vroege middeleeuwen de bisschop van Utrecht. Het gebied waarover de bisschop als een vorst regeerde werd ook wel ‘het sticht’ genoemd. Het aanzienlijke bezit van de bisschop over de IJssel staat bekend als “het oversticht” en omvatte geheel Overijssel , Drenthe en de stad Groningen . Om dit goed te kunnen beheren richtte de bisschop in Twente verschillende hofstelsels op. Ootmarsum was daarbij de Hoofdhof in Twente. Was men het als horige van bijvoorbeeld de Hof Oldenzaal het niet eens met de beslissing van de eigen hofmeier, dan kon men in Ootmarsum in beroep gaan. Onder de hof Ootmarsum vallen in de late middeleeuwen circa 140 boerenerven. Deze erven vormen een lappendeken van bezit, een aantal van de erven bevindt zich in wat nu de grafschaft Bentheim is, over de grens in Duitsland. De bisschop van Utrecht was niet de enige heer met horigen in Twente, die middels een hofstelsel beheerd werden. Een ander groot hofstelsel was dat van de Duitse orde die de eigenaar was van de Commanderij, het kasteel complex in Ootmarsum dat zich ooit op deze plek bevond. In de 1527 gaat het eigendom de bisschoppelijke hoven over naar keizer Karel de vijfde en vervolgens op diens zoon Phillips de tweede. Na afzetting van de laatste tijdens de 80 jarig oorlog kwamen de bisschoppelijke hoven in handen van de staten van Overijssel. In de praktijk werd er weinig veranderd met dit verschil dat de familie van Beverforde het ambt van hofmeier van vader op zoon doorgeeft. De eerste van Beverforde is in 1612 Reint van Beverforde, hij was gehuwd met een nicht van zijn voorganger. De familie verwerft vele landerijen in eigendom en komt tot aanzien. Jan Hendrik van Beverforde kan het zich rond 1720 veroorloven, zichzelf en zijn vrouw en zoon Hermannus te laten portretteren.
Statenbijbel
Statenbijbel

Luister en lees

Statenbijbel

De tachtig jarige oorlog was voor Twente en Overijssel een tijd van plundering en achteruitgang. Staatse en Spaanse troepen hielden huis op het platteland. Boerenerven kwamen leeg te staan en bouwland verwilderde. Het calvinisme had weinig aanhang onder de bevolking, zo is de Beeldenstorm compleet aan Overijssel voorbij gegaan. Oldenzaal is lange tijd in Spaanse handen. Het protestantisme dat gedwongen ingevoerd wordt, vindt weinig weerklank en grote delen van Twente blijven katholiek. Alhoewel er na de tachtig jarige oorlog officieel in de republiek der zeven provinciĂ«n gewetensvrijheid heerste, werd ieder Nederlander geacht over te stappen naar de gereformeerde kerk. Het werd de katholieken niet gemakkelijk gemaakt. Hun kerkgebouwen werden geconfisqueerd. In schuilkerken en schuurkerken werden geheime bijeenkomsten georganiseerd. Om een openbaar ambt te bekleden is lidmaatschap van de hervormde kerk verplicht. Een strijdpunt uit de reformatie is de vraag voor wie de bijbel bedoeld was. De katholieke geestelijkheid was van mening dat de bijbel liefst niet door gewone mensen gelezen moest worden; die konden in de kerk luisteren naar de uitleg van de geestelijken, die de bijbel in het Latijn lazen. Zij traden op als bemiddelaars tussen God en de gelovigen. De protestanten daarentegen meenden dat iedere gelovige zelf de bijbel hoorde te lezen en dat een predikant in de eerste plaats een dienaar van het woord van God was. Dat betekende dus ook dat de bijbel in de eigen taal beschikbaar moest zijn, liefst in een zo betrouwbaar mogelijke vertaling. De synode van Dordrecht gaf in 1618 de opdracht tot een vertaling vanuit het Grieks en Hebreeuws. Deze statenbijbel, omdat hij door de staten generaal betaald werd, is 300 jaar de standaard bijbel geweest en heeft een grote invloed gehad op de Nederlandse cultuur en taal. In 1637 is de vertaling gereed en tussen 1637 en 1657 worden er enkele honderdduizenden exemplaren gedrukt. Uitdrukkingen zoals ‘in het zweet zijns aanschijns’, ‘op handen gedragen’ en ’een lust voor het oog’ stammen uit de statenbijbel.
Harmannus van Beverforde
Harmannus van Beverforde

Luister en lees

Harmannus van Beverforde

Hermannus werd in 1725 geboren als zoon van Jan Hendrik van Beverforde en Maria Keller van Neuenhaus. Zijn vader Jan kwam na een lang slepende erfeniskwestie vlak voor zijn geboorte in het bezit van de Hof Ootmarsum. Het totaal van onroerende goederen dat in de loop der eeuwen door schenking en aankoop in een stelsel van horigheid bijeengebracht was. Jan moest hier diep voor in de buidel tasten en twee hypotheken afsluiten. Feitelijk was de hof, door overerving al sinds 1612 in handen van de familie van Beverforde. Zij voerden de titel van Hofmeier, beheerder van horige goederen maar in feite waren het grootgrond bezitters. In 1748 trouwt Hermannus met Antonetta ten Cate. Antonetta’s zuster Anna trouwt vrijwel tegelijkertijd met Johan Georg Dröghoorn. . Het huwelijk van Hermannus en Antonetta is van korte duur want 3 dagen na de geboorte van hun zoon Anthony in 1756 sterft Antonetta in het kraambed. In 1767 trouwt Hermannus voor de tweede maal. Dit maal met Mettina Alegonda Cramer- Knijpinga. Zie was afkomstig uit Groningen en weduwe van Hermannus Cramer uit Ootmarsum. Beiden brachten uit hun eerdere huwelijk een zoon mee; Hermannus, Anthony van Beverforde en Mettina, Hendrik Knijpinga Cramer. Ze namen hun intrek in het Hofmeiershuis aan de grote straat in Ootmarsum. Tussen de twee stiefbroers is het nooit wat geworden. Veel ruzies en conflicten rondom geldzaken. Dit tot groot verdriet van Mettina die in wanhoop zelfs een zelfmoordpoging doet in de achter het huis lopende stadsgracht. Drie belangrijke Ootmarsumse families zijn dan aan elkaar gelieerd. Van Beverforde en Dröghoorn via de eerste vrouw van Hermannus en van Beverforde met Cramer via zijn tweede vrouw. Zij maakten alle drie deel uit van de veelal gereformeerde bestuurlijke en burgerlijke bovenlaag van Ootmarsum. Hermannus overleed in 1792 en werd als belangrijk man, in de grote kerk (destijds protestants) begraven. Begraven in de Kerk was enkel weggelegd voor belangrijke mensen. Vaak lag het graf nog even open en dit zorgde voor een onaangename lijkgeur in de kerk. Vandaar de uitdrukking “rijke stinkerds’.
Atlas
Atlas

Luister en lees

Atlas

Een atlas is een statussymbool. Hij geeft aan dat de bezitter kennis van de wereld heeft. Deze atlas Bevat een reeks kopergravures van landkaarten en vogelvluchtperspectieven. De kaarten zijn gemaakt door verschillende cartografen en uitgevershuizen. De oudste gravures stammen uit 1605 en zijn gedrukt/gemaakt door Nicholaas Visscher. De nieuwste gravures zijn van het huis Seutter en stammen uit het eind van de 18e eeuw. Naast Seutter en Visscher bevat de atlas ook gravures van de Witt, Ottens, Hommano en anderen. In het totaal telt de Atlas 124 deels ingekleurde kaarten. Een dergelijke Atlas was een groot status symbool en een kostbaar bezit. De bezitter had kennis van de wereld. De kaarten gaven hoe de wereld gegroeid was door ontdekkingsreizen en handelscontacten. De kaarten zelf waren bijzonder fraai uitgevoerd, maar vaak verouderd. De feitelijkheid is van ondergeschikt belang. De atlas gaf aan dat de bezitter ‘een man van de wereld’ erudiet en belezen was.
Johan Georg Dröghoorn
Johan Georg Dröghoorn

Luister en lees

Johan Georg Dröghoorn

Johan Georg Dröghoorn, de vader van Wennemar Hendrik was tot het midden van de jaren 70 van de 18e eeuw een welgesteld man. Hij volgde zijn vader op als rentmeester van het Huys Ootmarsum en bovendien was hij rentmeester van de stadhouderlijke domein in de grafschaft Bentheim. Daarnaast had hij inkomsten uit eigen boerderijen, huizen en stukken grond. Bovendien was de drost van Twente, Baron van Heiden Hompesch, hem een totaal van 13.000 gulden schuldig. In 1775 wordt hij zonder opgave van redenen door de drost ontslagen. Als hij vervolgens zijn geld probeert terug te krijgen wil de drost alleen maar betalen met schulden die de boeren aan de drost hebben. Van Heiden zorgt ervoor dat Johan Georg ook zijn baan als rentmeester van de stadhouderlijke goederen verliest. Johan Georg heeft geen andere mogelijkheid dan de schulden te ruilen en staat vervolgens voor de ondankbare taak zijn 13.000 gulden weg te halen bij “de arme lieden”. Wat de drost en zijne nieuwe rentmeester niet dachten te kunnen binnen krijgen mocht Johan Georg zien te innen. Het verhaal gaat dat Johan Georg nog steeds op wraakt zint voor het onrecht dat hem is aangedaan. Zo zou hij nog altijd als het rode mannetje in het moeras de Ageler broek rondspoken. Om zijn schulden bij de boeren te innen gaat Johan op pad. Hij draagt daarbij een rood jasje. Johan is een slimme kerel en weet de boeren keer op keer te verassen en aardig wat van zijn kapitaal terug te halen. In 1795 sterft Johan en, volgens het verhaal, wordt hij in de Ageler broek begraven aan de linkerzijde van een berkenboom. Een jaar later bezoeken familie en zijn getrouwen het graf. Tot hun verbazing bevindt dat zich nu aan de rechterzijde van de berkenboom. Elk jaar verplaatst het graf zich richting Ootmarsum. Eerst snel maar allengs langzamer en uiteindelijk met een hanentred, een hanenstap per jaar. Enkele jaren na zijn dood verdwijnen er in het Ageler broek een aantal kinderen uit Ootmarsum. Waarschijnlijk verdrinken deze in het moeras maar al snel gaat de praat door de stad dat het rode mannetje hier achter zit. Vervolgens wordt zijn schim steeds vaker gezien rond boerenerven in Tilligte en Agelo. Het rode mannetje zou niets vermoedende wandelaars met een rood lichtje het moeras inlokken om zich van hun geld meester te maken. Over een aantal jaren zal zijn graf op het museum arriveren. Daar waar ooit zijn gehate baas heeft gewoond. Wie weet wat er dan zal gebeuren?
Hofkamer
Hofkamer
Hofkamer | Openluchtmuseum Ootmarsum

Hofkamer

Dit is de Hofkamer, afkomstig van de Markt in Ootmarsum. Hier hoor je het verhaal van de gevreesde drost Van Heiden-Hompesch, bijgenaamd de Colossus, en de mysterieuze ondergang van zijn kasteel.
Dit gebouw stond vroeger aan de Markt in Ootmarsum, vlak bij het Kerkplein. Het heeft heel wat bewoners gekend, maar voor ons verhaal gaan we nog wat verder terug in de tijd. Naar het Ootmarsum van de machtige heren, toen niet iedereen evenveel te vertellen had.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Mooie woorden, waar de burgers aan het einde van de achttiende eeuw graag over spraken. Maar wie dacht dat daarmee iedereen evenveel te vertellen had, kwam bedrogen uit.
Want in Ootmarsum woonde een man die zich van al die mooie woorden weinig aantrok. Zijn naam alleen al was indrukwekkend: baron Sigismund Vincent Gustaaf Lodewijk van Heiden-Hompesch tot Ootmarsum. Rijksgraaf, drost van Twente en Salland, en voogd van de stadhouder, de prins van Oranje.
Zijn tegenstanders noemden hem de Colossus. En dat was niet zonder reden. Kolossaal van gestalte, maar ook kolossaal in zijn machtsvertoon.
Het prachtige Huis Ootmarsum was slechts één van zijn vele bezittingen. Rondom het kasteel had hij een waar lusthof laten aanleggen. Met een wildbaan, visvijvers en een schitterende koepeltuin, compleet met een fontein waarop de mythologische figuur Arion was afgebeeld.
Hier woonde iemand die wist wat macht betekende. En die er ook graag gebruik van maakte.
Geliefd was hij bepaald niet. Samen met zijn neef, die drost van Vollenhove was, had hij een enorme invloed op het bestuur van Overijssel. Een burgemeester van Zwolle schreef destijds dat dit gebeurde tot groot ongenoegen van hare burgers.
De drost zou zijn macht openlijk hebben misbruikt. De bevolking was zo bang voor hem dat er zelfs na zijn dood nog de meest wonderlijke verhalen over hem werden verteld.
Zo zou Sigismund op een mooie zomerdag een beroerte hebben gekregen, terwijl hij bij zijn vijvers stond te vissen. Hij overleed, en diezelfde avond werd zijn lichaam in een loden kist naar de kerk gebracht.
En toen gebeurde er volgens de overlevering iets merkwaardigs.
De volgende ochtend zouden alle bomen langs de route hun bladeren hebben verloren. Midden in de zomer. Alsof zelfs de natuur opgelucht ademhaalde.
Maar er ging nog een veel duisterder verhaal rond.
Omstreeks 1780 zou de drost, gedreven door godsdienstige ijver, opdracht hebben gegeven een katholieke priester te vermoorden. Katholieken mochten hun geloof in die tijd slechts onder beperkingen uitoefenen. Maar deze priester had het gewaagd om in het openbaar te preken.
Volgens de overlevering sprak de priester vlak voor zijn dood een vloek uit over het kasteel en zijn bewoners:
Van dit trotse huis zal geen steen op de andere blijven.
Of het werkelijk zo is gebeurd, weten we niet. Maar het vervolg van het verhaal is opmerkelijk.
In 1820, ongeveer veertig jaar later, werd Huis Ootmarsum afgebroken. Steen voor steen.
Van het eens zo machtige kasteel bleef uiteindelijk vrijwel niets over.
En van die gevreesde drost? Die leeft vooral nog voort in de verhalen.
Misschien is dat wel de grootste ironie. Een man die tijdens zijn leven zoveel macht bezat, kon uiteindelijk niet voorkomen dat zijn eigen wereld verdween.
Olde Daalhuis
Olde Daalhuis

Luister en lees

Olde Daalhuis

Hofkamer Markt Kijk eens naar deze oude foto uit omstreeks 1950. Dit gebouw stond destijds aan de Markt in Ootmarsum, vlak bij het Kerkplein. Een karakteristiek pand, met een opvallende hoge puntgevel. Het was een vertrouwd onderdeel van het oude stadsbeeld.
In de loop der jaren heeft het heel wat bewoners gekend. Van een zadelmaker tot een notarisklerk. Het gebouw werd in 1901 zelfs nog eens herbouwd. Maar begin jaren zestig moest het plaatsmaken voor nieuwbouw. In 1963 werden de panden hier gesloopt om ruimte te maken voor het huidige restaurant De Guldene Crone.
Gelukkig verdween niet alles. Een deel van het oorspronkelijke gebouw kreeg een nieuwe plek in het Openluchtmuseum. Daar werd het in aangepaste vorm herbouwd. De hoge puntgevel bleef herkenbaar, maar het gebouw werd een stuk kleiner. Anders zou het hier wel erg nadrukkelijk boven de andere gebouwen uitsteken.
Vergelijk de oude foto maar eens met de Hofkamer zoals die er tegenwoordig uitziet. De ramen en deuren zitten niet allemaal meer op dezelfde plaats, maar de karakteristieke vorm is nog duidelijk te herkennen.
Zo heeft een stukje van het oude Ootmarsum toch een tweede leven gekregen. Niet meer aan de Markt, maar hier in het museum. En gelukkig hoefde het daarvoor niet helemaal opnieuw uitgevonden te worden.
Hofkamer - Stad Ootmarsum
Hofkamer - Stad Ootmarsum

Luister en lees

Hofkamer - Stad Ootmarsum

De vroegste beschrijving van Ootmarsum stamt waarschijnlijk uit een beschrijving van het leven van bisschop Raboud. Dit heiligenleven dat door een Utrechtse kanunnik in de tweede helft van de 10e eeuw is geschreven, verhaalt over de dood van de heilige Radboud tijdens een reis in de oostelijke delen van zijn bisdom. Radboud wordt ziek en laat zich naar Ootmarsum vervoeren waar hij graag kwam. Radboud sterft in Ootmarsum in 917. De tekst meldt dat Ootmarsum bijzonder mooi gelegen is. Gelegen aan een kruispunt van een belangrijke Noord-Zuid verbinding en de handelsroute van Noord-Duitsland naar Vlaanderen, ontwikkelt Ootmarsum zich als vestingstadje. In 1325 worden de stadsrechten van Ootmarsum bevestigd. Vele stadsboerderijen hebben een gevelteken vaak gekruiste en gestileerde paardenkoppen. Van de sterk gestileerde vorm, zoals te zien op het Los Hoes, zijn Saksische voorbeelden bekend die dateren uit de eerste eeuw voor christus. Voor de Saksen was het paard , en met name een schimmel, een heilig dier. Deze paarden moesten dan ook het onheil buiten de boerderij houden. Een ander wijd verbreide oervorm van het gevelteken is de donderbezem een uitwerking van de bliksemschichten die Thor of Donar op de aarde werpt. Het teken beschermt tegen tovenarij en natuurlijk het onweer. Tegen onweer werd ook vaak huislook op het rieten dak geplant. Sinds het midden van de 18e eeuw komen katholieke en protestantse geveltekens in zwang. De katholieke tekens bevatten veel kerkelijke symbolen zoals, het kruis, de kelk en de hostie. Het protestantse teken is meer een puur decoratief teken. Soms komt de lelie als symbool van de hervormden komt vaak voor en ook het vaas motief is vrij algemeen.
Hofkamer - Saksenoorlogen
Hofkamer - Saksenoorlogen

Luister en lees

Hofkamer - Saksenoorlogen

Ootmarsum is een van de oudste stadjes van Twente. Rond 800 na chr. Stond hier één van de eerste houtenkerken in Twente. Vanuit het kerkelijke steunpunt in Utrecht trokken Angelsaksische priesters het heidense Saksenland in om het geloof te verkondigen. Met wisselend succes. Karel de Grote veranderde dit. Vanaf het jaar 772 begint deze katholieke Frankische koning met veldtochten om het Saksische gebied toe te voegen aan zijn rijk. Zijn eerste oorlogshandeling is het laten kappen van de ‘Irmensul’, een belangrijk Saksisch heiligdom met een grote symbolische betekenis. De Irmensul, was een grote opgerichte boomstam die, volgens de Saksen de wereld de gehele wereld ondersteunde. De Saksen reageerden met openlijke opstand en het platbranden van de eerste houten kerken. Ook kozen ze een hertog, een legeraanvoerder die in vredestijd terug moest treden. De eerste bij naam bekende hertog is Widukind of Wittekind zijn strategie van constante opstand tegen Karel de Grote zorgt ervoor dat hij tientallen jaren het centrale gezag is in het Saksische gebied. Nadat Karel in 777 de Saksen had verslagen roept Karel alle Saksische edelen naar de rijksdag en neemt hun, met behoud van hun rechten op in het Frankische rijk. Wittekind gaat echter niet overstag en vecht nog 7 jaar door. In 785 ziet hij in dat het een verloren strijd is en laat hij zich dopen. Karel de Grote treedt daarbij op als zijn peetoom en de paus geeft ter ere van de doop een groot feestmaal. Wittekind wordt de belangrijkste leenheer van Karel de Grote in het Saksische gebied en mag de titel van Hertog blijven voeren. Met de doop van Wittekind kan de kerstening van de Saksen met hernieuwde kracht worden voortgezet. Utrecht en MĂŒnster krijgen een bisschopszetel en er worden strenge wetten uitgevaardigd die de overgang naar het christendom afdwingen. Doden mogen enkel nog bij een kerk begraven worden. Op het verbranden of begraven van een dode volgens de gebruiken van de heiden staat de doodstraf. Dezelfde straf stond op het ongedoopt laten van kinderen. Ootmarsum is een belangrijk steunpunt in de kerstening van de Saksen en groeit uit tot een van de grootste parochies van Twente. Over Wittekind gaan vele legendes zo zou hij voor zijn doop altijd op een zwart strijdros gereden hebben. Na zijn doop werd hij enkel nog op een wit paard gezien. Dit witte ros is onder andere opgenomen in het wapen van Twente.
Boerderijschuur
Boerderijschuur
Boerderijschuur | Openluchtmuseum Ootmarsum

Boerderijschuur

Dit is de boerderijschuur, waar de geiten hun onderkomen hebben. Eens in de twee jaar verandert de schuur tijdens het kerstspel in de stal van Bethlehem.
Een boer had vroeger niet alleen een boerderij nodig, maar ook een schuur. Liefst een flinke. Want waar moest hij anders al zijn gereedschap, wagens en andere spullen laten? Een boer gooide niet gauw iets weg. Je wist immers nooit wanneer het nog eens van pas kon komen.
Deze boerderijschuur, ook wel werktuigschuur genoemd, is gebouwd in de traditionele Twentse vakwerkstijl. Kijk maar naar de houten balken, de bakstenen muren en de grote dubbele deuren. Die moesten natuurlijk breed genoeg zijn om met een wagen naar binnen te kunnen.
Tegenwoordig heeft de schuur een heel andere functie. Hier vinden de geiten van het museum hun onderkomen. En die hebben het er best naar hun zin. Ze hoeven niet meer te helpen op het land, en over hun kost en inwoning hoor je ze niet klagen.
Maar eens in de twee jaar gebeurt hier iets bijzonders. Dan verandert deze eenvoudige schuur in de stal van Bethlehem. Tijdens het grote kerstspel van het museum vinden Maria en Jozef hier onderdak, met het kindje Jezus in de kribbe. Een gebeurtenis die duizenden bezoekers naar Ootmarsum trekt.
En eigenlijk is dat heel passend. Want waar kun je het kerstverhaal beter vertellen dan in een eenvoudige boerenschuur? Geen paleis, geen luxe. Alleen wat stro, een paar dieren en een pasgeboren kind. Soms heb je niet veel nodig om een bijzonder verhaal te vertellen.
Koetshuis
Koetshuis
Koetshuis | Openluchtmuseum Ootmarsum

Koetshuis

In dit gerenoveerde Koetshuis staan vijf historische koetsen, met levensgrote paarden en figuren in kleding van vroeger. Ontdek hoe men reisde in de tijd dat paardenkracht nog de belangrijkste vorm van vervoer was.
Stap eens binnen in het Koetshuis. Hier staan zes prachtige koetsen, compleet met levensgrote paarden en mensen in kleding van vroeger. Het lijkt wel alsof de koetsier ieder moment de teugels kan pakken en kan vertrekken.
Tweehonderd jaar geleden was reizen een heel ander verhaal dan tegenwoordig. Geen auto's, geen bussen en geen treinen die je overal naartoe brachten. Wie een flinke afstand moest afleggen, ging te voet, te paard of met een koets. En dat laatste was lang niet voor iedereen weggelegd.
De wegen waren vaak niet meer dan zandpaden. Bij droog weer stoffig, bij regen veranderden ze in modderige sporen. Een reis die tegenwoordig een uurtje duurt, kon toen gemakkelijk een hele dag kosten. En onderweg moest je maar hopen dat je niet met een wiel in een diepe kuil terechtkwam.
Voor de koets had je natuurlijk paarden nodig. Op de boerderij waren dat vaak stevige werkpaarden, zoals de Belgische trekpaarden, die in Twente Belsen werden genoemd. Voor het trekken van een rijtuig gebruikte men liever wat lichtere, snellere paarden.
En dan moest zo'n paard ook nog worden aangespannen. Met een tuig, leidsels, riemen en gespen. Dat was een heel karwei. En wie daarbij de zaken verkeerd aanpakte, kreeg misschien wel te horen: Je moet het paard niet achter de wagen spannen! Een uitdrukking die we nog altijd gebruiken wanneer iemand de dingen in de verkeerde volgorde doet.
Maar niet iedere koets was hetzelfde. Voor ieder doel bestond wel een ander rijtuig.
Neem bijvoorbeeld de huifkar, ook wel zeilwagen genoemd. Daarmee werden goederen en voorraden vervoerd, bijvoorbeeld van en naar de markt. En bij bijzondere gelegenheden, zoals een bruiloft, werd de wagen feestelijk versierd met papieren roosjes. Dan was het ineens geen gewone boerenwagen meer, maar een feestelijk vervoermiddel.
De sjees was een heel ander rijtuig. Klein, licht en met twee grote wielen. Er was plaats voor twee personen. Een elegant vervoermiddel, waarmee je heel wat sneller vooruitkwam dan met een zware boerenwagen.
En dan de landauer. Dat was pas een deftig rijtuig! Een comfortabele koets met een kap die kon worden neergeklapt. Bij mooi weer reed je open, zodat iedereen kon zien wie er voorbij kwam. En bij slecht weer ging de kap omhoog. Vooral welgestelde burgers lieten zich graag in zo'n rijtuig vervoeren.
Ook voor het kerkbezoek bestonden speciale rijtuigen. De kerkwagen was een kleine, gesloten koets waarmee je ook bij regenachtig weer netjes in je zondagse kleren bij de kerk kon aankomen. Want het zou toch jammer zijn als je op weg naar de mis al helemaal doorweekt raakte.
Wie zelf geen paard of koets bezat, was aangewezen op andere mogelijkheden. De postkoets vervoerde niet alleen brieven en pakketten, maar nam soms ook reizigers mee. Onderweg kon bij een herberg van paarden worden gewisseld. Zo ontstonden de eerste vormen van geregeld personenvervoer.
In de steden verschenen later de omnibussen, grote door paarden getrokken rijtuigen waarin meerdere mensen tegelijk konden reizen. En ook tegenwoordig kun je nog wel eens een grote paardenwagen tegenkomen, een Jan Plezier. Niet meer om op tijd op je werk te komen, maar voor een gezellig tochtje door stad, bos of heide.
Kijk nog eens rond in dit Koetshuis. Al die verschillende rijtuigen vertellen iets over de mensen die ermee reisden. De boer met zijn handelswaar, het bruidspaar op weg naar een feest, de deftige burger die graag gezien wilde worden en het gezin dat op zondag naar de kerk ging.
En bedenk dan eens hoeveel werk er bij zo'n rit kwam kijken. Paarden verzorgen, inspannen, de koets onderhouden en onderweg de weg zien te vinden. Even snel ergens naartoe gaan was er niet bij.
Tegenwoordig stappen we in de auto, drukken op een knop en rijden weg. Maar vroeger begon iedere reis met dezelfde vraag: Zijn de paarden al ingespannen?
En als het antwoord nee was, dan kon je voorlopig nog wel even blijven zitten.
Veeschuur
Veeschuur
Veeschuur | Openluchtmuseum Ootmarsum

Veeschuur

Dit is de Veeschuur, waar het kleinvee zoals kippen, konijnen en geiten onderdak vond. Deze dieren leverden vroeger eieren, melk en vlees en waren daarmee belangrijk voor het boerengezin.
Op een Twentse boerderij woonden vroeger heel wat meer dieren dan alleen koeien en paarden. Er liepen kippen rond, er waren konijnen en soms ook geiten. En al dat kleinvee moest natuurlijk ergens onderdak vinden. Daarvoor diende een veeschuur zoals deze.
Die dieren waren er niet alleen voor de gezelligheid. Ze leverden een belangrijke bijdrage aan het huishouden. De kippen zorgden voor verse eieren en af en toe voor een pannetje soep. Konijnen werden gehouden voor hun vlees en soms voor hun vacht. En een geit leverde melk, waarvan ook kaas gemaakt kon worden.
Vooral voor kleine boeren en gezinnen met weinig geld waren zulke dieren waardevol. Een koe was duur in aanschaf en onderhoud, maar een geit was veel gemakkelijker te houden. Niet voor niets werd de geit wel de koe van de arme man genoemd. Al zal de geit daar zelf anders over hebben gedacht.
Het verzorgen van de dieren was vaak een taak voor het hele gezin. De kinderen verzamelden de eieren, brachten voer en zorgden voor vers water. En wie dacht dat kippen gemakkelijk te houden waren, had waarschijnlijk nog nooit geprobeerd er eentje te vangen die daar geen zin in had.
Ook het mesten en schoonmaken van de hokken hoorde erbij. Want een veeschuur moest niet alleen beschutting bieden tegen regen, wind en kou, maar ook een gezonde plek zijn voor de dieren. En dat betekende regelmatig uitmesten. Een klusje waar de kinderen vermoedelijk wat minder enthousiast over waren.
Kijk eens naar deze kleine schuur, met zijn houten gevel en bakstenen muren. Het is een eenvoudig gebouw, maar het herinnert ons aan een tijd waarin bijna alles op de boerderij een functie had. Zelfs het kleinste dier droeg bij aan het dagelijks bestaan.
En de dieren zijn hier nog altijd te vinden. De geiten en konijnen hebben hun eigen onderkomen, maar de kippen nemen het met de grenzen van het museum niet zo nauw. Die scharrelen vrolijk over het hele terrein en wagen zich soms zelfs in de straten van Ootmarsum.
Een toegangsbewijs hebben ze niet nodig. En van sluitingstijden hebben ze blijkbaar ook nog nooit gehoord.
Wagenschuur
Wagenschuur
Wagenschuur | Openluchtmuseum Ootmarsum

Wagenschuur

Dit is de Wagenschuur, met oude boerenwagens en landbouwwerktuigen. Hier staan ook de drie grote paaswagens waarmee de Ootmarsumse Poaskeerls ieder jaar op paaszaterdag het hout voor het traditionele paasvuur ophalen.
Een boer had vroeger heel wat te vervoeren. Mest naar het land, aardappelen naar de boerderij, hooi naar de schuur en natuurlijk de oogst van het veld. En dat allemaal zonder tractor of vrachtwagen. Daarvoor had hij zijn wagens. Van een eenvoudige kruiwagen tot een zware, door paarden getrokken oogstwagen.
Kijk maar eens naar de werktuigen en wagens die hier staan. De meeste hebben grote houten wielen, vaak met een ijzeren band eromheen. Sommige hebben twee wielen, andere vier. En bij veel wagens kon het voorste onderstel draaien, zodat de wagen ook een bocht kon maken. Wel zo handig, want een paard kun je moeilijk vragen om alleen maar rechtdoor te lopen.
De lange balken waarmee de paarden voor de wagen werden gespannen, noemen we de dissel of boom. En voor ieder karwei was er wel een andere wagen. Een mestkar voor de mest, een oogstwagen voor aardappelen en bieten, en een hooiwagen met hoge steunstokken om zoveel mogelijk hooi mee te nemen.
Maar je moest het natuurlijk niet overdrijven. Want wie zijn hooiwagen te hoog opstapelde, liep het risico onderweg de halve lading te verliezen. Vandaar die bekende uitdrukking: Je moet niet te veel hooi op je vork nemen. Een wijze les, die ook buiten de boerderij nog altijd van pas komt.
Het binnenhalen van de oogst was vroeger een hele gebeurtenis. Vaak hielp het hele gezin mee, van jong tot oud. De volle hooiwagens, de paarden en de mensen die op het land werkten, vormden een schilderachtig tafereel. Niet voor niets zijn ze op talloze oude schilderijen terug te vinden.
Maar in deze wagenschuur staan ook drie heel bijzondere wagens. Die worden maar één keer per jaar gebruikt. Met Pasen!
Dan komen de Poaskeerls in actie. Deze jonge mannen houden een eeuwenoude Ootmarsumse paastraditie in ere. Op paaszaterdag trekken drie grote, zware wagens, ieder voortgetrokken door twee sterke Belgische trekpaarden, de omgeving in om het hout voor het paasvuur op te halen.
En dat gebeurt niet bepaald onopvallend. De wagens worden zo hoog en breed met takken en hout beladen dat ze bij de terugtocht door het centrum van Ootmarsum soms bijna de huizen aan weerszijden van de straat raken. Een indrukwekkend gezicht, waar ieder jaar veel mensen op afkomen.
Onder het zingen van traditionele paasliederen wordt het hout naar de paasweide gebracht. Daar wordt het opgestapeld tot een grote brandstapel. En op eerste paasdag, 's avonds om acht uur, wordt het paasvuur ontstoken. Een eeuwenoude traditie die symbool staat voor het licht, de lente en het nieuwe leven.
En zo hebben deze oude boerenwagens een bijzonder tweede leven gekregen. Vroeger brachten ze de oogst van het land. Tegenwoordig helpen ze een van de mooiste tradities van Ootmarsum in stand te houden.
De rest van het jaar staan ze hier rustig te wachten. Maar zodra het Pasen wordt, mogen ze weer aan het werk. En dan wordt er bepaald niet te weinig hooi op de vork genomen. Al is het deze keer geen hooi, maar paashout.
Molenhuisje
Molenhuisje
Molenhuisje | Openluchtmuseum Ootmarsum

Molenhuisje

Het molenhuis stamt uit 1450 en heeft de status van rijksmonument
Dit kleine huisje heeft iets bijzonders. Het is namelijk het enige gebouw op het museumterrein dat officieel een rijksmonument is. En dat is niet voor niets. De geschiedenis ervan gaat terug tot ongeveer 1450.
Ooit stond hier een watermolen. Geen papiermolen, zoals u hiernaast ziet, maar een korenmolen. Daar werd rogge gemalen, waarvan de mensen hun dagelijks brood bakten.
Het water kwam uit een grote molenkolk en viel van boven op het molenrad. Zo'n molen noemen we een bovenslagmolen. De kracht van het vallende water zette het rad in beweging, en daarmee de zware molenstenen.
Deze molen stond bekend als de voorste molen. Er was namelijk ook een achterste molen, bij de huidige vijvers achter het Commanderieplein. Beide hoorden bij het kasteel dat hier vroeger stond.
En dat kasteel had behoorlijk wat macht.
De boeren die grond van het kasteel pachtten, mochten hun rogge niet zomaar laten malen waar ze wilden. Ze moesten naar een van deze twee molens. Ook al was de vrije molen in de stad goedkoper. Dat noemde men een dwangmolen.
Wie vroeg opstond, had daarbij een voordeel. Want de boer die als eerste met zijn graan bij de molen aankwam, werd ook als eerste geholpen.
Vandaar het bekende gezegde: Wie het eerst komt, het eerst maalt.
In 1810 verkocht de drost het woonhuis. Veel later, in 1960, kwam het in handen van de gemeente. De korenmolen zelf was toen allang verdwenen. Die werd rond 1860 afgebroken.
Van het vroegere kasteelcomplex en het bijbehorende landgoed is dit kleine molenhuisje als enige gebouw overgebleven.
Een bescheiden huisje dus. Maar met een geschiedenis die veel groter is dan het gebouw zelf.
Papiermolen
Papiermolen

Luister en lees

Papiermolen

Het gebouwtje is een verkleinde uitgave van de watermolen (Molenhuisje) die hier vroeger stond. Nu wordt getoond hoe tweehonderd jaar geleden papier werd gemaakt. Papier werd toen gemaakt van lompen met een hamerbak die aangedreven werd door waterkracht. Dat gebeurde in Twente de in het natuurgebied Het Springendal. De Drost Van Heiden-Hompesch, die hier op de voormalige Commanderie Ootmarsum woonde, bezat hier 5 papiermolens. Het waterrad is een onderslag-rad. Het rad heeft schoepen en gaat draaien door de stroming van het water. De schone energie werd gebruikt om de hamerbak aan te drijven die de lompen tot pulp sloeg. In een schepbak schepte de papiermaker de pulp op doormiddel van een schepraam en dit blad van pulp werd afgelegd op een vilten mat, geperst en gedroogd. Een wereld zonder papier kunnen we ons nu niet meer voorstellen.
Papierscheppen
Papierscheppen

Bekijk de de film

Papierscheppen

Marjon Droste geeft een demonstratie ambachtelijk papierscheppen
Filmpje Oogstdag
Filmpje Oogstdag

Bekijk de de film

Filmpje Oogstdag

Op de ambachtelijke Oogstdag wordt de rogge op verschillende manieren gemaaid
Kapberg
Kapberg
Kapberg | Openluchtmuseum Ootmarsum

Kapberg

Dit is de kapberg, waarin vroeger de wintervoorraad hooi werd opgeslagen. Het bijzondere rieten dak kan langs vier houten palen omhoog en omlaag worden bewogen, zodat het hooi altijd droog blijft.
Stel je eens voor: het is winter, de weilanden zijn kaal en de koeien staan op stal. Maar eten moeten ze natuurlijk wel. Daarom moest de boer in de zomer een flinke voorraad hooi verzamelen. En waar liet je al dat hooi? In een hooiberg, of zoals ze hier ook wel zeggen, een kapberg.
Zo'n kapberg is eigenlijk een heel slim bouwwerk. Kijk maar eens naar de vier stevige houten palen. Die noemen we roeden. Daartussen hangt een groot dak, gedekt met riet. En het bijzondere is: dat dak kan omhoog en omlaag!
Was de hooiberg goed gevuld, dan ging het dak omhoog. Werd er in de winter steeds meer hooi weggehaald, dan liet de boer het dak langzaam zakken. Zo bleef het hooi beschermd tegen regen en sneeuw. Een verstelbaar dak dus. Zonder afstandsbediening, dat wel.
Bij deze kapberg zit aan iedere roede een zwengel met een staalkabel. Daarmee kan het zware dak worden versteld. Dat was vroeger een heel karwei, want het dak moest natuurlijk wel netjes recht blijven hangen.
Een volle hooiberg kon behoorlijk groot zijn. En als je daar iets in kwijtraakte, had je een probleem. Probeer maar eens een speld in een hooiberg te vinden. Die uitdrukking komt niet helemaal uit de lucht vallen.
Toen boeren later machines gingen gebruiken om hooi en stro in stevige, rechthoekige balen te persen, werden de traditionele hooibergen steeds minder nodig. Die balen kon je immers veel gemakkelijker in een schuur opstapelen.
Maar kijk nog eens naar dat dak. Eigenlijk is het een prachtig stukje boerenvernuft. Geen ingewikkelde techniek, maar een oplossing die eeuwenlang uitstekend heeft gewerkt. En dat allemaal om ervoor te zorgen dat de koeien 's winters wat te eten hadden.
Heinenboer
Heinenboer
Heinenboer | Openluchtmuseum Ootmarsum

Heinenboer

Dit is de Heinenboer, een kleine Twentse keuterboerderij uit ongeveer 1850. Voor die tijd verrassend modern, met een aparte woonruimte, een waterpomp en zelfs een toilet binnenshuis. En dat terwijl hier twaalf kinderen opgroeiden!
Rond 1850 veranderde er nogal wat op het Twentse platteland. De oude Los Hoes-boerderijen, waar mensen en dieren samen in één grote ruimte leefden, maakten langzaam plaats voor een nieuw soort boerderij. Met aparte vertrekken voor mens en dier. Een hele vooruitgang, zou je zeggen.
Dit is de Heinenboer, de boerderij van een kleine keuterboer. Niet groot, maar voor die tijd behoorlijk modern. De boerin had een echt fornuis, een spoelkeuken met een waterpomp en er werd geslapen in een bed in plaats van een bedstede. En er was zelfs een toilet binnenshuis! Dat noemden ze heel toepasselijk het gemak. Je hoefde dus niet meer in weer en wind naar buiten als de nood hoog was.
Zo'n gemak was trouwens ook te vinden in de dodencel van Ootmarsum. Daar kon je, om het zo maar te zeggen, op je dooie gemak doen wat je moest doen.
Van alleen dat kleine boerenbedrijf kon het gezin waarschijnlijk niet rondkomen. Daarom verdiende de boer in de winter vermoedelijk wat bij met het maken van dokken. Dat waren proppen van stro die onder de dakpannen werden gestoken om regen en tocht buiten te houden. Een precies werkje, want een lekkend dak was bepaald geen pretje.
De boerin verdiende mogelijk wat extra geld met kantklossen. Dat was tijdrovend werk, maar mooi kant bracht geld op. En aan de knipmuts van een boerin kon je zien hoe welgesteld het gezin was. Hoe breder het kant, hoe rijker de boer. Of zoals men zei: wie het breed heeft, laat het breed hangen.
Maar stel je nu eens voor: in dit kleine huis woonden maar liefst twaalf kinderen! Dat was passen en meten. De oudere kinderen sliepen op de hiel, de lage zolder boven de veestallen, vlak onder de dakpannen. Wie geluk had, lag boven de koeien. Dan had je 's winters zowaar vloerverwarming. Gratis en voor niks.
Warm was het er overigens lang niet altijd. Vaak sliepen de kinderen gewoon met hun kleren aan. En als het buiten flink sneeuwde, kon de sneeuw door de kieren onder de pannen naar binnen waaien. Dan moest je 's morgens eerst de snee van de dekke slaan. De sneeuw van je dekens kloppen, voordat je aan de dag kon beginnen.
Dus ja, de Heinenboer was voor zijn tijd een moderne boerderij. Maar of wij er tegenwoordig met twaalf kinderen zouden willen wonen? Daar zou ik toch nog eens een nachtje over slapen. Liefst niet onder de dakpannen.
Boerderijtje Heinenboer - Noabers
Boerderijtje Heinenboer - Noabers

Luister en lees

Boerderijtje Heinenboer - Noabers

Om als noaber gevraagd te worden is een eer, maar ook niet iets dat je lichtvaardig op je neemt. Met het aangaan van ‘noaberschop’ verplicht je je jegens de ander. Noabers zijn aangezochte buren. Het is het sociale netwerk waarop je terug kan vallen als het onverhoopt slecht gaat. Het zijn de mensen die aanwezig zullen zijn bij de geboorte van je kinderen, bij doop, verkering en trouwen en ook bij je overlijden. Zij zijn degene die tot het laatst in kerk zitten en je kist zullen dragen. Het is dus handig om tenminste acht noabers te hebben. Als een jong paar op een bestaande boerderij in trouwt dan worden meestal de bestaande noabers overgenomen of in overleg anderen aangezocht. Betreft het een nieuwe boerderij, dan worden de nieuwe noabers gekozen en gevraagd. Een noaber heb je voor het leven en de plichten zijn alles behalve vrijblijvend het is dus van groot belang een goede relatie met je noabers te hebben en te houden. Onder de noabers is er één de eerste of ‘noodnoaber’. In alle gevallen waar noaberhulp gewenst is verricht deze de eerste hulp. Een leuke noaber verplichting is het aangeven van een kind. Dit gebeurt door de vader en twee noabers die als getuigen optreden. Onderweg naar het stadhuis wordt er in een cafĂ© voor de ambtenaar van de burgerlijke stand een ‘tegoed gemaakt’ zodat deze op later tijdstip hier een borrel kan afhalen. Uiteraard wordt er door de vader en de noabers dan gedronken op de geboorte. Ligt de boerderij verder van het stadhuis dan worden er onderweg ook verscheidene cafĂ©s aangedaan. Zo vertrok een boer om met zijn noabers de geboorte van zijn prachtige dochter Lilliane aan te geven bij de gemeente. Een vrolijke tocht eenmaal bij het stadhuis aangekomen waren alle drie echter zo ‘dik’ ( dronken) dat men de naam vergeten was. Het enige dat hun nog te binnen wou schieten was dat het met veel ellen geschreven werd. Tot op de dag van vandaag heet deze dochter, inmiddels 84, Ellen.
Boerderijtje  Heinenboer - De deel
Boerderijtje Heinenboer - De deel

Luister en lees

Boerderijtje Heinenboer - De deel

Op de deel werd gewerkt. De rogge werd op de vloer uitgespreid en de jongemannen sloegen met dorsknuppels en vlegels de graankorrels uit de aren. In een regelmatig tempo ‘om de haverklap’ sloegen de vlegels. De jongemannen, de vlegels hadden zelfs na werktijd nog energie over om de dames het hof te maken, vandaar dat men ook wel spreekt van de vlegeljaren. De onbekommerde tijd van kameraadschap en avontuur. Na het verwijderen van het stro, dat o.a. gebruikt werd om dokken van te maken beleef er op de dorsvloer kaf , koren en stof over. Met de wanne werd dit opgeschud waardoor de wind de lichtere delen, het kaf en het stof wegblies. In de wanne hield men dan het koren over. Het kaf van het koren scheiden is nog steeds een spreekwoord dat hieraan herinnerd. Om de huwelijksmarkt te stimuleren werd er af en toe op de deel een ‘spinvisiet’ , spinvisite georganiseerd. De jonge boerendochter nodigde dan haar vriendinnen uit om gezamenlijk het draad te spinnen op de deel. Het spinnenwiel lieten deze vriendinnen dan dragen door een ongetrouwde broer. Dan had men allen van huwbare leeftijd bij elkaar en werd er ongein uitgehaald. De boerin keek de andere kant op als er twee in het hooi verdwenen.

Slachthoek

Je weet wat voor vlees je in de kuip hebt, wanneer je zelf je eigen varkens slacht. Op elke boerderij werd in het najaar geslacht. De lokale slager hielp hierbij vaak bij. Alle onderdelen van het varken werden gebruikt. Het varken werd doormidden gehakt en per helft aan een ladder gehangen. Bij het uitbenen kwamen hammen en spek vrij en andere delen werden met een vleesmolen kleiner vermalen om in te wecken en worst van te maken. Bloedworst en leverworst zijn een Twentse specialiteit. Net als de Twentse balkenbrij die gemaakt wordt van boekweitmeel, lever, spek en veel kruiden. “ Nich veurdat nen boer ‘n balkenbrij op hef, begeent hee an ’n scheenkn.” Het lekkerste van het varken werd steeds tot het laatst bewaard.
Kleine werktuigen
Kleine werktuigen
Kleine werktuigen | Openluchtmuseum Ootmarsum

Kleine werktuigen

In deze nieuwe schuur staat een verzameling oude, kleinere landbouwwerktuigen. Ze laten zien hoe de boeren vroeger met eenvoudige maar slimme hulpmiddelen hun land bewerkten en de oogst binnenhaalden.
Een boer had vroeger geen schuur vol elektrische apparaten. Geen tractor met airconditioning, geen machines die met één druk op de knop het werk voor hem deden. Maar hij had wel gereedschap. Heel veel gereedschap. En voor bijna ieder karwei was er wel iets anders bedacht.
In deze schuur vind je een verzameling van kleinere landbouwwerktuigen. De schuur zelf is van recente datum, maar de werktuigen herinneren aan een tijd waarin het boerenwerk nog grotendeels met de hand of met behulp van paarden werd gedaan.
Kijk maar eens rond. Je ziet hier allerlei slimme constructies van hout en ijzer. Werktuigen om de grond te bewerken, om te zaaien, om onkruid te bestrijden en om de oogst binnen te halen. Sommige zijn eenvoudig, andere hebben een verrassend ingewikkeld mechaniek.
Want de boeren van vroeger waren misschien niet hoog opgeleid, maar dom waren ze bepaald niet. Ze bedachten steeds weer manieren om het zware werk wat gemakkelijker te maken. Een extra wiel, een hefboom, een paar tandwielen. Soms was een kleine verbetering al voldoende om uren werk te besparen.
Toch bleef het hard werken. Een akker omspitten, aardappelen rooien of het land onkruidvrij houden, dat ging niet vanzelf. Vaak hielp het hele gezin mee. En als de boer 's avonds moe thuiskwam, was dat niet omdat hij de hele dag achter een beeldscherm had gezeten.
Veel van deze werktuigen werden gemaakt of gerepareerd door de plaatselijke smid en wagenmaker. Ging er iets kapot, dan werd het niet zomaar weggegooid. Een gebroken steel kon worden vervangen en een verbogen stuk ijzer weer rechtgeslagen. Weggooien was zonde. Daarvoor had men veel te hard moeten werken om het te kunnen betalen.
In de loop van de twintigste eeuw veranderde de landbouw ingrijpend. Steeds meer werk werd overgenomen door machines. Eerst aangedreven door paarden, later door motoren en tractoren. Wat vroeger een hele dag kostte, kon soms in een paar uur worden gedaan.
En zo belandden veel van deze werktuigen uiteindelijk in de schuur. Niet omdat ze versleten waren, maar omdat er iets beters voor in de plaats kwam.
Kijk er nog maar eens goed naar. Achter ieder stuk gereedschap schuilt een slimme gedachte. En meestal ook een heleboel zweet.
Want één ding is zeker: vroeger hadden de boeren misschien minder machines, maar aan werk hadden ze bepaald geen gebrek.
Weemhof
Weemhof
Weemhof | Openluchtmuseum Ootmarsum

Weemhof

Dit is de Weemhof, met een houten gebint dat meer dan vijfhonderd jaar oud is. Binnen ontdek je de geschiedenis van de Twentse textielindustrie, een historisch weefgetouw, wisselende tentoonstellingen en een introductiefilm over het museum.
Kijk eens naar dit gebouw. Het ziet er behoorlijk nieuw uit, nietwaar? Maar schijn bedriegt. Want binnen staat een houten geraamte dat al meer dan vijfhonderd jaar oud is! De zware balken, samen het gebint genoemd, stammen uit de veertiende of vijftiende eeuw. En die hebben in hun lange leven al heel wat meegemaakt.
Vroeger gooide men goede bouwmaterialen niet zomaar weg. Een stevig gebint kon gemakkelijk worden afgebroken en ergens anders weer worden opgebouwd. Zo hebben deze oude balken van 1969 tot 1997 deel uitgemaakt van het exclusieve restaurant De Wanne. En tegenwoordig dragen ze de Weemhof. Van restaurant naar museum. De balken zullen er niet wakker van liggen.
De naam Weemhof heeft trouwens een bijzondere oorsprong. Een weem of wheme was vroeger een pastorie, het huis van de geestelijke. Het woord gaat terug op een oude benaming voor kerkelijk bezit. Je komt het nog tegen in straatnamen en familienamen, zoals Oude Weme en Nieuwe Weme.
Binnen vind je wisselende tentoonstellingen en kun je een korte film bekijken die je kennis laat maken met het museum. Maar je ontdekt hier ook hoe een van de belangrijkste industrieën van Twente ooit begon: de textielindustrie.
Want voordat er grote textielfabrieken waren, werd er al volop gesponnen en geweven op de boerderijen. Vooral in de winter, wanneer er op het land minder werk was. Van vlas, dat de boeren vaak zelf verbouwden, werd garen gesponnen. En van dat garen werd op een weefgetouw linnen gemaakt. Een tijdrovend werkje, waar het hele gezin bij betrokken kon zijn.
Kijk maar eens naar het oude weefgetouw. Daarop werden honderden, soms duizenden draden naast elkaar gespannen. Dat waren de scheringdraden. Door daar steeds een draad dwars doorheen te voeren, de inslag, ontstond langzaam een stuk stof. Draadje voor draadje. En dat ging bepaald niet snel.
Ken je de uitdrukking op z'n elfendertigst? Daar bestaat een oude verklaring voor die met het weven te maken heeft. Bij een bepaalde manier van weven werden extra groepen draden gebruikt om een bijzonder fijne stof te maken. Dat kostte veel tijd. En zo zou de uitdrukking zijn ontstaan voor iemand die alles op zijn dooie gemak doet. Of die verklaring helemaal klopt, daarover zijn de taalgeleerden het niet eens. Maar bij zo'n weefgetouw kun je je er wel iets bij voorstellen.
In de Weemhof hangt ook een groot mozaĂŻek van kunstenares Nel Klaassen. Het werd in 1952 aangebracht in de Twentse Textielschool in Enschede en kreeg in 2017 hier een nieuwe plek. Een herinnering aan de tijd waarin de textielindustrie aan duizenden Twentenaren werk bood.
En dan nog iets heel anders. Vroeger, als een boer iets te vieren had, bijvoorbeeld de geboorte van een kalf of veulen, kwam er nogal eens een borrel op tafel. Met rozijnen op brandewijn: boerenjongens. Een stevige traktatie, waar je het warm van kreeg. En daar hoefde de kachel niet eens voor aan.
Kon je de borrel niet meteen betalen, dan wilde de kastelein soms wel krediet geven. Hij kerfde met een mes een streepje in een houten stok om de schuld bij te houden. Dat was de kerfstok. En wie veel schulden had, had dus heel wat op zijn kerfstok. Een uitdrukking die we nog altijd gebruiken, al gaat het tegenwoordig meestal niet meer over onbetaalde borrels.
Zo vind je in de Weemhof een verzameling verhalen uit het Twentse verleden. Van eeuwenoude balken tot weefgetouwen en van de textielindustrie tot de borrel van de boer. En wie weet ontdek je tijdens je bezoek nog wel iets wat je helemaal niet verwacht had.
Oogstschuur
Oogstschuur
Oogstschuur | Openluchtmuseum Ootmarsum

Oogstschuur

In deze schuur staan oude landbouwwerktuigen die laten zien hoe boeren vroeger het land bewerkten en de oogst binnenhaalden. Ontdek hoe eeuwen boerenarbeid het karakteristieke Twentse landschap heeft gevormd.
Er wordt weleens gezegd: Het Twentse land is gevormd door boerenhand.
En wie om zich heen kijkt, begrijpt waarom. De akkers, de weilanden, de houtwallen en de kronkelende zandwegen. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend. Maar dat landschap is het resultaat van eeuwenlang ploegen, zaaien, maaien en oogsten.
In deze schuur staan de werktuigen waarmee de boeren dat werk vroeger deden. Sommige zijn eenvoudig, andere al behoorlijk vernuftig. Maar allemaal vertellen ze hetzelfde verhaal: het boerenleven was hard werken.
Neem het ploegen. Tegenwoordig trekt een tractor met gemak een grote ploeg door de akker. Vroeger liep de boer achter een houten ploeg, getrokken door een paard of een os. Urenlang. Voor na voor. En als het land eindelijk klaar was, moest er nog gezaaid worden.
Ook het oogsten gebeurde aanvankelijk helemaal met de hand. Met een sikkel of een zeis werd het graan gemaaid. Daarna werd het samengebonden tot schoven, op het land te drogen gezet en naar de boerderij gebracht. En dan moest het graan nog gedorst worden om de korrels uit de aren te krijgen.
Geen wonder dat de hele familie moest meehelpen. Van jong tot oud. Want als de oogst rijp was, kon je niet rustig wachten tot volgende week. Het weer bepaalde het werk.
Langzaam veranderde dat. Er kwamen machines die het maaien, dorsen en andere werkzaamheden gemakkelijker maakten. Eerst nog getrokken door paarden, later aangedreven door motoren en tractoren.
Wat vroeger dagen kostte, kon ineens in enkele uren. En tegenwoordig doet een grote maaidorser, een combine, het maaien en dorsen zelfs in één werkgang.
Maar de boeren veranderden niet alleen hun werktuigen. Ze veranderden ook het landschap.
Duizenden jaren geleden was een groot deel van Twente bedekt met bossen. De eerste landbouwers kapten en brandden stukken bos om akkers aan te leggen. Daar verbouwden ze hun graan. Wanneer de bodem na enkele jaren uitgeput raakte, zochten ze een nieuw stuk grond.
Op de verlaten akkers graasde het vee. Waar het bos niet meer terugkwam, ontstonden geleidelijk open landschappen en heidevelden. Zo veranderde de mens stap voor stap de natuur.
Later gingen boeren hun akkers steeds langer op dezelfde plek gebruiken. Vooral op de hoger gelegen zandgronden ontstonden grote, aaneengesloten akkercomplexen: de essen.
De lagere, vochtige gronden langs de beken waren geschikt als hooilanden. Daar werd het gras gemaaid en gedroogd om het vee in de winter te kunnen voeren.
Om de akkers en weilanden kwamen houtwallen en heggen. Die hielden het vee tegen, boden beschutting en leverden bovendien brandhout en gebruikshout.
En zo ontstond langzaam dat prachtige Twentse coulisselandschap. Een landschap waarin je steeds weer een nieuw doorkijkje krijgt, alsof je door de coulissen van een theater loopt.
Die afwisseling van akkers, weilanden, bomen en houtwallen bood ook ruimte aan allerlei planten en dieren. Het boerenland was daardoor lange tijd een bijzonder gevarieerd landschap.
Maar de ontwikkeling ging verder. Met de komst van grote landbouwmachines werden kleine akkers samengevoegd en verdwenen op veel plaatsen de houtwallen. De landbouw werd efficiënter, maar het landschap verloor daarmee ook een deel van zijn karakter.
Gelukkig is in Twente nog veel van dat oude landschap bewaard gebleven.
Kijk nog eens naar de werktuigen in deze schuur. Ze lijken misschien eenvoudig en ouderwets, maar ze vertellen het verhaal van een enorme ontwikkeling. Van de boer die met een paard en een houten ploeg zijn akker bewerkte, tot de moderne landbouw met machines die bijna alles kunnen.
En toch is er één ding niet veranderd.
Ook de modernste boer blijft afhankelijk van de grond, het weer en de seizoenen.
Want uiteindelijk heeft de natuur nog altijd het laatste woord.
De oogstschuur – Vroege landbouw
De oogstschuur – Vroege landbouw

Luister en lees

De oogstschuur – Vroege landbouw

Er wordt wel eens gezegd “Het Twentse land is gevormd door boerenhand”. Het coulisselandschap van akkers, weilanden afgewisseld met boomwallen, is typisch voor dit gebied. Het bewerken van land heeft door de jaren heen een grote ontwikkeling doorgemaakt. In vroeger jaren werd het land bewerkt met houten werktuig en met paardenkracht : later met tractoren en steeds meer machines. Er was gereedschap om te ploegen, om het land te bemesten, om te zaaien en om te oogsten. Begin van de vorige eeuw ontstond steeds meer de mechanische bewerking van het land en nu zien we grote zware machines, zoals combines die grote oppervlakten akkers heel efficiĂ«nt bewerken. Dat was vroeger wel anders : moeizaam handwerk met eenvoudige middelen. Sinds de prehistorie hebben mensen het land naar hun hand gezet. De ontwikkeling van de landbouw is hierin de drijvende kracht geweest. In tegenstelling tot de primitieve jager verandert de landbouwer zijn omgeving en heeft invloed op de natuur om hem heen. Aanvankelijk is de landbouwer verrijkend voor de natuur. Door de variatie in landschapstypen die door het menselijk ingrijpen ontstaan, komen er kansen voor nieuwe planten en diersoorten. De prehistorische volkeren die zich in deze regio, in de uitgestrekte oerbossen ophielden pleegden aanvankelijk een vorm van roofbouw. Op de stuwwallen en dekzandgronden werden de hoger gelegen delen van het oerbos platgebrand en op de ontstane akkertje werd tarwe verbouwd. Er werd geen bemesting toegepast, was de grond na een aantal oogsten uitgeput, dan werd er een nieuwe akker in het bos gemaakt. De oude akker werd als weide gebruikt voor varkens en kleine runderen. Het bos krijgt geen kans meer op de uitgeputte bodem en na verloop van tijd ontstaat op deze plekken de heide die, veel later, grote delen van Twente zal bedekken. Steeds meer hoger gelegen bos wordt gekapt voor weide en akkergrond. Een direct gevolg hiervan is een versnelde afvoer van water via de beekdalen die, in lagergelegen gebieden, voor overstromingen, broeklanden en moerasvorming zorgen. De erosie zorgt voor rijke beekdalen en na kap van de hier ontstane berkenbossen, voor bloemrijke hooilanden. De akkerbouw concentreert zich op de hoger gelegen delen. Hier ontstaan aaneengesloten landbouwgebieden de z.g. essen. Aan de randen van de essen vinden we de weilanden, de z.g. ‘Hooilanden’. Deze lagen bij voorkeur aan het water en dicht bij de boerderij. Deze weilanden werden rondom voorzien van hekwerk en begroeiing zoals knotwilgen. Het zijn de houtwallen die het Twentse landschap zo aantrekkelijk maken. Rond 800 na Chr. zijn hier de eerste dorpen en steden ontstaan. Het waren nog maar kleine eilandjes in een woest gebied. De bevolking bestond uit, aan de Saksen gelieerde stammen of familiegroepen, voornamelijk de Tubanti, naar wie deze streek is genoemd. Hun geloof vertoonde veel overeenkomsten met de noordelijke mythologie. Freya, Tyr, en Wodan waren de goden die werden vereerd. Tegenwoordig is in Twente nog steeds iets terug te vinden van die oertijd.
De oogstschuur - Gereedschappen
De oogstschuur - Gereedschappen

Luister en lees

De oogstschuur - Gereedschappen

Een bekend gezegde is : “ En de boer hij ploegde voort” . Met een houten ploeg en later een ijzeren ploeg, voortgetrokken door een os of door paardenkracht, werd het land bewerkt. De grond werd los gemaakt om te kunnen zaaien en poten. De grond moest bemest worden. Wanneer het gewas opkwam moest er onkruid gewied worden en wanneer de oogst rijp was moest er geoogst worden. Dat was hard werken. Een bekende spreuk is “ Zit de boer steeds op z’ n kont, komt er geen aardappel uit de grond
”. Rogge, haver, tarwe en gerst werd er verbouwd. Bij het oogsten werd dit gemaaid met een zeis ‘een zicht’. Er werden bundels gemaakt, de ‘garven’. Deze garven werden tegen elkaar gezet op het land om te drogen en vormden ‘hokken’. Volgeladen wagens werden naar de boerderij gebracht waar het kaf van het koren werd gescheiden. De zaden werden naar de molenaar gebracht die er meel van maalde en de bakker bakte hiervan zijn brood. De boerin had meestal een kleine groentetuin bij de boerderij voor eigen gebruik. Door de jaren heen werd de landbouw steeds verder gemechaniseerd. Het paard verdween, de tractor kwam. Ingenieuze machines om te zaaien en te poten en om de oogst te verwerken, werden steeds meer ingezet. Dorsmachines, aardappelrooimachines, hakselaars, etc. moesten het werk eenvoudiger maken. Wanneer je nu een kijkje neemt op het Twentse platteland, dan zie je de grote combines van de Landbouwwerktuigen Maatschappijen die in de oogsttijd de mais, rogge of haver zo in één keer van het land halen en verwerken waardoor de oogstopbrengst direct naar de fabriek kan. Dat was vroeger wel anders. De kleine boer had landbouw en veeteelt en moest de hele dag in de weer zijn om er van te kunnen leven. “ Een magere koe en een vet paard, is voor de boer geen bliksem waard. “
Schaapskooi
Schaapskooi
Schaapskooi | Openluchtmuseum Ootmarsum

Schaapskooi

Dit is de Schaapskooi, waar vroeger de scheper zijn kudde onderbracht. Overdag zwierven de schapen over de uitgestrekte heidevelden, waar volgens oude Twentse verhalen ook witte wieven en andere geheimzinnige wezens rondwaarden.
Vroeger hoorde bij het Twentse landschap niet alleen de boerderij, maar ook de schaapskooi. Hier bracht de scheper, de schaapherder, zijn kudde onder voor de nacht. Vaak waren de schapen niet eens allemaal van dezelfde boer. De scheper hoedde de dieren van verschillende eigenaren, die samen één grote kudde vormden.
Overdag trok hij met zijn schapen het veld op. Zo noemden de Twentenaren de uitgestrekte gemeenschappelijke heidevelden. Rond 1800 bestond een groot deel van Twente uit heide en andere woeste gronden. De schapen hielden met hun gegraas de heide open en voorkwamen dat struiken en bomen overal de overhand kregen.
Zo'n scheper bracht heel wat uren door op de stille heide. En wie zoveel tijd alleen doorbrengt, heeft alle gelegenheid om na te denken. Of om verhalen te verzinnen. Want de heide was vroeger niet alleen het domein van de schapen. Er zouden ook heel andere wezens rondwaren. Grieze veulens, spookhazen, de hellehond... en natuurlijk de witte wieven.
Die witte wieven waren niet altijd de griezelige verschijningen die we tegenwoordig uit de volksverhalen kennen. Het woord wief betekende vroeger gewoon vrouw. En wit werd ook wel in verband gebracht met wijsheid en kennis. Volgens een oude uitleg waren witte wieven dus wijze vrouwen, die veel wisten van geneeskrachtige kruiden en hielpen bij geboorten. Werd er een koe ziek, dan wist zo'n vrouw misschien nog raad.
Maar in de loop der eeuwen veranderde hun reputatie. De wijze vrouw werd een geheimzinnig wezen. En uiteindelijk zelfs een gevaarlijke verschijning die je maar beter niet kon tegenkomen.
Volgens de verhalen woonden de witte wieven onder de grond, in oude grafheuvels. Daar hielden ze grote drinkgelagen en lokten ze nietsvermoedende jongemannen naar binnen. En wie eenmaal binnen was, kwam er misschien nooit meer uit.
Soms verlieten ze 's nachts hun schuilplaats om bij de boeren op bezoek te gaan. Zelfs de beschermende tekens op de gevel hielden hen niet altijd tegen. En waarvoor kwamen ze? Om het bier te stelen! Alsof de boeren zelf nog niet genoeg moeite hadden om hun voorraad op peil te houden.
Of die verhalen allemaal waar zijn? Ach, de scheper zal er vast het zijne van hebben gedacht. Maar als je vroeger in de schemering over de heide liep en er plotseling een witte nevel boven de grond verscheen, dan wist je het maar nooit.
Dus mocht je hier ooit een wit wief tegenkomen, wees dan voorzichtig. En vooral: ga niet zomaar mee als ze je uitnodigt voor een drankje.
Witte wieven
Witte wieven

Luister en lees

Witte wieven

Witte Wieven Stel je voor. Het is een donkere nacht. De maan schijnt over de heide en tussen de grafheuvels trekken witte nevelslierten over de grond. Maar kijk eens goed. Zijn dat wel nevels? Of bewegen daar vrouwen in lange, witte gewaden?
Volgens oude Twentse volksverhalen waren dit de witte wieven. Geheimzinnige vrouwen die zich schuilhielden in grafheuvels en 's nachts over de heide zwierven. Soms verschenen ze als witte mist, soms als prachtige vrouwen met lange haren. Maar pas op, want hun schoonheid kon bedrieglijk zijn.
Er werd verteld dat de witte wieven onder de grond woonden, waar ze grote feesten hielden. Vooral jonge mannen moesten oppassen. Wie zich door zo'n wit wief liet verleiden om mee te gaan, liep het risico nooit meer terug te keren. En dat terwijl hij misschien alleen maar een gezellig avondje uit had verwacht.
Ook de boeren waren niet altijd veilig. Soms kwamen de witte wieven 's nachts naar de boerderij om bier te stelen. Daarom werden op de gevels beschermende tekens aangebracht, die het kwaad buiten moesten houden. Maar of die altijd hielpen?
Misschien waren de witte wieven oorspronkelijk wel heel andere vrouwen. Er bestaat een oude uitleg dat het wijze vrouwen waren, die veel wisten van kruiden, genezing en geboorten. Vrouwen die door hun kennis werden gerespecteerd, maar later ook werden gevreesd.
En die witte nevels boven de heide? Die kunnen natuurlijk heel goed ontstaan wanneer de vochtige lucht 's nachts afkoelt.
Maar mocht je ooit bij volle maan een mooie vrouw in een wit gewaad tegenkomen, ergens tussen de grafheuvels... dan zou ik toch maar vriendelijk groeten en stevig doorlopen. En vooral niet meegaan als ze je een biertje aanbiedt.
Schaapskooi – Vlas
Schaapskooi – Vlas

Luister en lees

Schaapskooi – Vlas

Een dienstmeisje op het land had recht op een stukje land waarop zij vlaszaad kon uitzaaien. Dit voorrecht werd bedongen bij het aangaan van het dienstverband en vormde een deel van het loon. De meid had vaak recht op een spint, 12 bij 12 stappen, vlas dat bij de mest gehouden werd. Vlas eist goede bemesting Dit vlaszaad of lijnzaad, lienzaod werd uitgezaaid op het lienstuk, de vlasakker. Er zijn twee soorten vlas : wit bloeiend en blauw bloeiend. Het witte, dat korter is en meer vertakking van de stengel heeft wordt gezaaid voor de zaadopbrengst. Het blauwe wordt gezaaid voor de vezel waarvan men textiel kan maken. De dienstmeid kon de opbrengst verwerken tot linnen voor de uitzet. In Twente zijn er veel boerenerven waar een rotboer woonde. Dit waren geen vervelende kerels maar boeren op wiens land de rot of reut kuilen waren waarin het vlas gerot werd. Met het oog op de visstand was het rotten van vlas in rivieren en beken in geheel Noord - West Europa verboden. Rotten was een noodzakelijk bewerking van vlas en zorgde ervoor dat de vezels te oogsten waren.
Schaapskooi -  Weefgetouw
Schaapskooi - Weefgetouw

Luister en lees

Schaapskooi - Weefgetouw

Weven was het winterwerk van de boer. De vrouw spinde de garen. De boer deed dit op een weefgetouw. Door de lengtedraden, de schering, gooit of schiet hij over dwars de spoel, de inslag. Dit proces wordt oneindig vaak herhaald, dat is schering en inslag. Dat spreekwoord ken je zeker wel. De breedtedraden of ketting, versterkte men met stijfsel want deze slijten het sterkst. Vaak werd hiervoor een speciale soort emmer gebruikt. Weven was winterwerk en als de stijfselpap bevroren was, kon de wever niet verder en werd hij bang dat hij zijn werk niet af zou krijgen. ‘Et vrös em op ’n emmer’ het vriest hem op de emmer is in Twente een uitdrukking voor iemand die angstig wordt. De lengtedraden - zeven tot achthonderd stuks - worden gewikkeld om een zogenaamde Boom. Dat was een hele klus. Een boom op zetten deed men met een noaber / buurman en dat was een precies geduldig en langdurig werk waarbij natuurlijk veel gepraat werd. Als er een nieuwe boom werd ingericht op het weefgetouw, dan werd er iets op touw gezet. Voordat de vlas gesponnen kan worden moet de vezel van het hout gescheiden worden, daarvoor gebruikt men onder andere de hekel. Dat is een plank met pinnen of spijkers in oplopende dichtheid waarmee men de houtvezel uit de vlasvezels kamde. Vaak zat men aan beide zijden en sloeg men om en om een stukje vlas over de kam. “Iemand over de hekel halen” was dus het proberen ergens het fijne van te weten te komen.
Tuffelkelder
Tuffelkelder
Tuffelkelder | Openluchtmuseum Ootmarsum

Tuffelkelder

Dit is de Tuffelkelder, waar vroeger aardappelen en andere oogstproducten werden bewaard. Dankzij de dikke aarden wallen bleef het er koel en waren de aardappelen 's winters beschermd tegen de vorst.
Een tuffelkelder. Dat klinkt misschien wat vreemd, maar een tuffel is gewoon een aardappel. En aardappelen, die moesten vroeger ergens bewaard worden. Liefst een hele winter lang. Want een koelkast of diepvriezer had de boer natuurlijk niet.
Rond het midden van de achttiende eeuw begon de aardappel ook in Twente aan zijn opmars. Maar de boeren stonden er aanvankelijk nogal wantrouwig tegenover. De plant had giftige bessen en ook de groene delen waren niet eetbaar. En als de plant giftig was, waarom zou je dan de knollen onder de grond wel kunnen eten? Daar moest je toch eerst eens goed over nadenken.
Maar langzaam ontdekte men dat die knollen juist heel voedzaam waren. Bovendien kon de aardappel ook groeien op grond die voor andere gewassen minder geschikt was. En van een stuk land met aardappelen konden veel meer mensen eten dan van eenzelfde stuk land met graan. Dat kwam goed uit, want de bevolking groeide en voedsel was lang niet altijd vanzelfsprekend.
Al gauw werd de tuffel een onmisbaar onderdeel van het dagelijkse eten. Gekookt, gestampt of gebakken. En als er weinig anders op tafel kwam, dan maar weer aardappelen. Je kon er in ieder geval de buik mee vullen.
Maar hoe bewaarde je zo'n grote voorraad zonder dat de aardappelen bevroren of begonnen te rotten? Daar hadden de boeren iets slims op bedacht: de tuffelkelder, ook wel tuffelhel genoemd.
Kijk maar eens naar dit gebouwtje. De kelder ligt grotendeels onder de grond, met dikke aarden wallen aan weerszijden. De aarde zorgt ervoor dat de temperatuur binnen veel gelijkmatiger blijft. In de winter beschermt dat tegen de vorst en in de zomer blijft het er lekker koel. Stro en rieten matten zorgden voor extra isolatie.
Niet alleen aardappelen werden hier opgeslagen. Ook andere groenten en soms fruit konden er een plekje krijgen. Een soort natuurlijke koelkast dus, zonder stekker en zonder elektriciteitsrekening.
En zo werd dit eenvoudige keldertje een belangrijk onderdeel van de boerderij. Want wie in de herfst zijn tuffels goed had opgeborgen, kon er de hele winter van eten.
Eigenlijk is er in al die jaren niet zoveel veranderd. Ook tegenwoordig willen we onze aardappelen het liefst koel en donker bewaren. Alleen hoeven we daarvoor niet meer met een mandje een donkere kelder in.
En zeg nou zelf: wat zou Twente zijn zonder tuffels? Dan werd het toch wel een heel karig stamppotje.
Landkruis
Landkruis
Landkruis | Openluchtmuseum Ootmarsum

Landkruis

Dit landkruis stond oorspronkelijk op de Ageler Es, bij de plek van de historische brooduitdeling. Dankzij Herman Luft kreeg het oude Christusbeeld een tweede leven in het museum. In het voorjaar van 2026 bezweek het kruis.
Soms heeft een eenvoudig voorwerp een geschiedenis die veel verder teruggaat dan je op het eerste gezicht zou denken.
Dit landkruis vertelt zo'n verhaal. Het stond jarenlang op de Ageler Es, bij Agelo, op een bijzondere plek. Want daar vindt nog ieder jaar een historische brooduitdeling plaats. Een traditie die herinnert aan de tijd waarin geloof, liefdadigheid en het boerenleven nauw met elkaar verbonden waren.
Langs wegen, op kruispunten en aan de randen van akkers stonden vroeger op veel plaatsen in Twente landkruisen. Ze waren een teken van het katholieke geloof, een plek om even stil te staan of een gebed uit te spreken. Soms herinnerden ze aan een bijzondere gebeurtenis.
Toen de boeren van Agelo besloten het oude Christusbeeld, het corpus, te vervangen door een nieuw exemplaar, dreigde het oude beeld te verdwijnen.
Maar Herman Luft dacht daar anders over.
Hij nam het initiatief om het oude corpus naar het Openluchtmuseum Ootmarsum te brengen. Daar werd het zorgvuldig gerestaureerd en kreeg het, bevestigd aan een nieuw houten kruis, een tweede leven op het museumterrein.
Zo bleef niet alleen een oud beeld bewaard, maar ook een stukje van de geschiedenis van Agelo.
Jarenlang stond het kruis hier tussen de bomen, als stille herinnering aan het geloof en de gebruiken van vroegere generaties.
Tot het voorjaar van 2026.
Toen bezweek het landkruis onder de tand des tijds. Bij de val viel ook het historische Christusbeeld in stukken. Daarmee ging een bijzonder stukje Twents erfgoed verloren.
Of er op deze plek opnieuw een landkruis zal verrijzen, is nog niet besloten.
Maar het verhaal van het oude kruis, van de Ageler Es en van Herman Luft, die het beeld ooit voor het museum wist te behouden, blijft bestaan.
Smidse
Smidse
Smidse | Openluchtmuseum Ootmarsum

Smidse

Dit is de Smidse, een oude doorritschuur. Tijdens de ambachtendagen komen hier oude ambachten tot leven, zoals smeden en klompenmaken. Bekijk ook de filmpjes waarin je de vakmensen aan het werk ziet.
Elk dorp had zijn eigen wagenmaker en smid. Deze stonden in hoog aanzien. Deze beiden werkten op bestelling en moesten goed kunnen samenwerken. De wagenmaker maakte de wielen en de smid de ijzeren hoepels die om de wielen kwamen. De wielen werden op de as vastgezet met een pal. De pal die tijdens het rijden onder grote druk komt te staan, voorkomt dat het wiel van de as af schiet. “Pal staan” , onverzettelijk zijn, is het bekende spreekwoord. IJzer heeft de vervelende eigenschap te krimpen als het afgekoeld wordt. De smid moet dus een vakman zijn om de hoepels precies pas te kunnen maken. Als ze te klein waren kwam je mooi te pas
.
Vroeger had bijna ieder dorp een eigen smid. En een wagenmaker. Die twee konden niet zonder elkaar. De wagenmaker maakte de houten wielen en de smid zorgde voor de ijzeren banden eromheen. En dat moest precies passen. Want een wiel verliezen onderweg was niet bepaald de bedoeling.
De smid verhitte de ijzeren band in zijn vuur, zodat die uitzette. Daarna werd hij om het houten wiel gelegd en met water afgekoeld. Het ijzer kromp weer en klemde zich stevig om het wiel. Een knap staaltje vakmanschap. Want was de band te groot, dan zat hij los. En was hij te klein, dan kwam je mooi te pas.
Ook de ijzeren pal waarmee het wiel op de as werd vastgezet, moest stevig zijn. Daar komt volgens de overlevering de uitdrukking pal staan vandaan. Niet wijken, wat er ook gebeurt.
En de smid heeft ons nog meer uitdrukkingen nagelaten. Je moet het ijzer smeden als het heet is. Of: veel ijzers in het vuur hebben. Dat laatste was voor een smid heel gewoon. Terwijl het ene stuk ijzer werd verhit, kon hij aan het andere werken. Tijd was toen ook al geld.
Kijk eens naar dit gebouw. Het is een zogenaamde doorritschuur. Aan de ene kant reed de boer met zijn wagen naar binnen en aan de andere kant kon hij er weer uit. Achteruitrijden was dus niet nodig. En dat was maar goed ook, want een paard had nu eenmaal geen achteruitkijkspiegel.
Op de boerderij waren trouwens nog heel wat andere werkzaamheden. Zo werden er dokken gemaakt: bundeltjes roggestro die onder de dakpannen werden gelegd om het dak beter tegen regen te beschermen. Dat moest zorgvuldig gebeuren, anders kreeg je bij een flinke bui de regen binnen. En dan moest je dokken.
Voor het aandrijven van machines gebruikte men soms een göbel, een rosmolen waarbij een paard voortdurend rondjes liep. Zwaar en eentonig werk. Het dier kreeg vaak oogkleppen op, zodat het niet werd afgeleid. En liep het te langzaam, dan kreeg het soms lange haver. Dat klinkt als iets lekkers, maar het betekende zweepslagen.
Niet iedere boer behandelde zijn paard even vriendelijk. Daarover bestond in Twente een veelzeggende uitspraak: Ik bin lééver zien biebel as zien peerd. Ik ben liever zijn bijbel dan zijn paard. Want op zijn bijbel slaat hij tenminste niet.
Zo vertelt deze oude schuur niet alleen over het werk op de boerderij, maar ook over de ambachten van vroeger. En die zijn hier nog springlevend! Tijdens de ambachtendagen van het museum laten vakmensen zien hoe er vroeger werd gewerkt. Hoe de smid het gloeiende ijzer bewerkt en hoe uit een eenvoudig stuk hout een klomp ontstaat.
En kun je er vandaag niet bij zijn? Geen nood. Bekijk dan de filmpjes bij dit gebouw. Zo kun je toch nog even over de schouder van de ambachtslieden meekijken. Gelukkig zonder dat je zelf je vingers hoeft te branden.
Men moet het ijzer smeden als het heet is. Je moet veel ijzers in het vuur hebben om door te kunnen werken. De schuur is er een van het type doorritschuur. Aan de ene zijde kan men de schuur binnen rijden en aan de andere zijde kan men uitrijden, zonder de wagen te hoeven draaien. Dokken maken Direct onder de pannen en op de panlatten werden bundels van stro gepakt. Die heten dokken. Het is het restant van de rogge. De volle lengte wordt een keer dubbel geslagen en met een paar strengen vastgeknoopt. Een precies werkje. Wanneer je dat niet goed doet loop het regenwater bij een zware bui naar binnen. En dan moet je dokken
. Veel machines waren aangesloten op een zo genaamde göbel. Aan deze rosmolen liep een paard. Dit zorgde voor de aandrijving. Het was voor een paard zwaar en saai werk er moest een constante kracht geleverd worden in een gelijkmatig tempo. Het paard had dan ook vaak oogkleppen op. Liep het paard te langzaam dan kon het lange haver krijgen : zweepslagen. Sommige boeren sprongen ruw om met hun paard. “ik bin lééver zien biebel as zien peerd. Ik ben liever zijn bijbel dan zijn paard, want daar kan hij niet op slaan.
Ambachtelijk smeden
Ambachtelijk smeden

Bekijk de de film

Ambachtelijk smeden

Hier wordt tijdens de Ambachtendagen het ijzer gesmeed als het heet is.
Klompen maken
Klompen maken

Luister en lees

Klompen maken

Klompenmaker Herman Bekhuis demonstreert dit oude ambacht in de smederij op het Openluchtmuseum Los Hoes.
Bakspieker
Bakspieker
Bakspieker | Openluchtmuseum Ootmarsum

Bakspieker

In deze Bakspieker werd brood gebakken in een met takkenbossen voorverwarmde oven.
Een versgebakken brood. De geur alleen al maakt hongerig. Maar vroeger was brood bakken op de boerderij een heel ander verhaal dan tegenwoordig. Even de oven aanzetten was er niet bij.
Vanaf 1598 werd er belasting geheven op vuurplaatsen. Hoe meer vuurplaatsen je had, hoe meer je moest betalen. En dus was het handig om er zo weinig mogelijk te hebben. Een boer kon vaak prima toe met één vuurplaats in huis, zolang er maar ergens in de buurt een bakhuisje stond. Zo'n bakspieker werd dikwijls door meerdere boerenfamilies samen gebruikt.
Brood bakken was dan ook geen dagelijks karweitje. Als de oven eenmaal warm was, werd er meteen een flinke hoeveelheid roggebrood gebakken. Genoeg om weken vooruit te kunnen. De broden werden bewaard in de spinde, de voorraadkast, of op een broodplank.
En wie voldoende brood op de plank had, hoefde zich voorlopig geen zorgen te maken. Daar komt volgens de overlevering de uitdrukking brood op de plank hebben vandaan.
Maar voordat het brood de oven in kon, moest er eerst flink gestookt worden. Met takkenbossen werd de stenen oven langzaam op temperatuur gebracht. Dat kostte behoorlijk wat tijd en brandhout. Daarna werden het vuur en de as verwijderd. Pas dan konden de broden op de hete ovenvloer worden gelegd.
Voor één enkel brood was al dat werk natuurlijk veel te veel moeite. Vandaar het Twentse gezegde: Voor één brood kun je geen bakoven bouwen. Oftewel: sommige dingen kosten meer dan ze opleveren.
En het bakken ging ook niet altijd goed. Wie zijn brood te vroeg uit de oven haalde, hield een halfgaar baksel over. En als iemand tegenwoordig een halve gare wordt genoemd, is dat bepaald geen compliment.
Maar in de bakspieker werd niet alleen brood gebakken. Ook speculaas speelde een bijzondere rol. Vooral wanneer de liefde in het spel was.
Vroeger werd speculaas vaak gebakken in de vorm van een pop. Zo'n speculaaspop kon meer vertellen dan een hele brief. Want bij de vrijerij waren er allerlei ongeschreven regels.
Had een jongeman al een tijdje verkering met een meisje, dan werd hij op een gegeven moment bij haar ouders op de koffie gevraagd. Dat was geen gewone visite. Vader en moeder wilden weleens weten wat voor vlees ze in de kuip hadden. Was die vrijer eigenlijk wel uit het goede hout gesneden?
En de koffie vertelde soms meer dan de gesprekken aan tafel.
Kreeg de jongeman alleen koffie, zonder iets erbij, dan zag het er niet best voor hem uit. Maar werd die koffie ook nog eens geschonken in een afwijkend kopje, een zogenaamd blauwtje, dan was de boodschap helemaal duidelijk. Hij hoefde niet meer terug te komen.
Hij had, letterlijk volgens dit oude gebruik, een blauwtje gelopen.
Maar het kon ook anders. Was de familie tevreden over de vrijer, dan kreeg hij bij de koffie een stuk speculaas aangeboden. Een goed teken, zou je denken.
Alleen had de jongeman zelf natuurlijk ook nog iets te kiezen.
Zag hij zijn toekomstige schoonfamilie niet zitten, dan brak hij de benen van de speculaaspop af en at die op. Hij had, zoals men zei, de benen genomen.
En daarmee wist het meisje genoeg. Van een huwelijk zou het waarschijnlijk niet komen.
Geen lange gesprekken, geen ingewikkelde verklaringen. Een kopje koffie en een stuk speculaas waren soms voldoende om iemands toekomst te bepalen.
En dat allemaal in een tijd waarin je voor een goed brood nog uren moest stoken.
Broodbakken
Broodbakken

Bekijk de de film

Broodbakken

Hier wordt ambachtelijk brood gebakken door Thomas Stork
Papiermolen
Papiermolen
Papiermolen | Openluchtmuseum Ootmarsum

Papiermolen

Papiermolen
Papier kopen we tegenwoordig per pak. Vijfhonderd vel tegelijk, als het moet. Maar tweehonderd jaar geleden was papier maken nog een heel karwei. En daar kwam heel wat water aan te pas.
Het gebouwtje dat u hier ziet, is een verkleinde uitvoering van de watermolen die vroeger naast het Molenhuisje stond. Alleen werd daar graan gemalen. Hier laten we zien hoe vroeger papier werd gemaakt.
Dat gebeurde niet met hout, zoals tegenwoordig meestal het geval is, maar met oude lompen. Versleten kleding en ander textiel kregen zo een tweede leven. Al zal niemand het toen recycling hebben genoemd.
De lompen werden in kleine stukken verwerkt en vervolgens met zware houten hamers tot een brij geslagen. Die hamers hoefde de papiermaker gelukkig niet zelf te bedienen. Dat deed de watermolen voor hem.
Het stromende water zette het waterrad in beweging. Via een vernuftig mechaniek werden daarmee de zware hamers aangedreven, die de lompen tot papierpulp sloegen.
Uit een bak met die pulp schepte de papiermaker met een speciaal raam een dun laagje vezels. Dat natte vel werd op vilt gelegd, geperst en daarna gedroogd. En zo ontstond, vel voor vel, papier.
Ook in deze omgeving was papier maken ooit een belangrijk ambacht. In het Springendal bezat drost Van Heiden-Hompesch, die op de Commanderie in Ootmarsum woonde, maar liefst vijf papiermolens.
Water was toen niet alleen iets om te drinken of om het land mee te bevloeien. Het leverde ook de kracht om machines aan te drijven. Zonder elektriciteit, zonder motoren. Alleen stromend water en een slim bedacht mechaniek.
En als u bedenkt hoeveel papier er sindsdien door onze handen is gegaan, dan is het eigenlijk bijzonder dat het ooit allemaal zo begon: met oude lompen, water en een flinke hoeveelheid geduld.
Bijenstal
Bijenstal
Bijenstal | Openluchtmuseum Ootmarsum

Bijenstal

Deze bijenstal wordt beheerd door de bijenvereniging Ootmarsum
“Oh, wat bint dee biejn drok!” Oftewel: wat zijn die bijen toch weer druk. En dat zijn ze eigenlijk al eeuwen. Zonder vakantiedagen, zonder koffiepauze. En niemand die ze ooit heeft horen klagen.
De bijenteelt kent in Twente een lange geschiedenis. Monniken en kloosters hebben waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding ervan. Vroeger had bijna de helft van de boerenerven een eigen iemenschoer, zoals een bijenstal hier werd genoemd. Vooral rond de uitgestrekte heidevelden, waar de bijen volop nectar konden vinden.
Honing was in die tijd een kostbaar goedje. Suiker was voor gewone mensen nauwelijks betaalbaar. En met honing kon je zelfs de pacht voldoen. Zo kende de Commanderie van Ootmarsum in 1644 nog een twintigtal zogenaamde wastinsige meiers. Dat waren boeren die een deel van hun opbrengst, in de vorm van honing of bijenwas, aan hun heer moesten afstaan. De bijen werkten dus niet alleen voor de boer, maar ook voor de baas van de boer.
Maar het belangrijkste werk van de bijen zit niet in de honingpot. Terwijl ze van bloem naar bloem vliegen, zorgen ze voor de bestuiving van talloze planten en fruitbomen. Zonder bijen zouden we heel wat minder te oogsten hebben.
En juist daarom is het zorgelijk dat veel bijenvolken en wilde bijensoorten het moeilijk hebben. Want zoals een oude wijsheid het hier zo treffend zegt: “Waar de bij ligt uitgeteld, is het droevig met het milieu gesteld.”
Kijk dus gerust even naar die bedrijvigheid bij de stal. Al dat gezoem klinkt misschien als een hoop drukte om niks. Maar ondertussen wordt er hard gewerkt aan onze volgende oogst.
gps
Beoordeel deze app
taal
Museumkaart
Los HoesHoofdingangPauwenrenKlopkeshuisEppinkschuurHofkamerBoerderijschuurKoetshuisVeeschuurWagenschuurMolenhuisjeKapbergHeinenboerKleine werktuigenWeemhofOogstschuurSchaapskooiTuffelkelderLandkruisSmidseBakspiekerPapiermolenBijenstal

Instellingen

×
Je browser ondersteunt geen video.
xxx