Bijenstal
De bijenteelt kent in Twente een lange geschiedenis. Monniken en kloosters hebben waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding ervan. Vroeger had bijna de helft van de boerenerven een eigen iemenschoer, zoals een bijenstal hier werd genoemd. Vooral rond de uitgestrekte heidevelden, waar de bijen volop nectar konden vinden.
Honing was in die tijd een kostbaar goedje. Suiker was voor gewone mensen nauwelijks betaalbaar. En met honing kon je zelfs de pacht voldoen. Zo kende de Commanderie van Ootmarsum in 1644 nog een twintigtal zogenaamde wastinsige meiers. Dat waren boeren die een deel van hun opbrengst, in de vorm van honing of bijenwas, aan hun heer moesten afstaan. De bijen werkten dus niet alleen voor de boer, maar ook voor de baas van de boer.
Maar het belangrijkste werk van de bijen zit niet in de honingpot. Terwijl ze van bloem naar bloem vliegen, zorgen ze voor de bestuiving van talloze planten en fruitbomen. Zonder bijen zouden we heel wat minder te oogsten hebben.
En juist daarom is het zorgelijk dat veel bijenvolken en wilde bijensoorten het moeilijk hebben. Want zoals een oude wijsheid het hier zo treffend zegt: “Waar de bij ligt uitgeteld, is het droevig met het milieu gesteld.”
Kijk dus gerust even naar die bedrijvigheid bij de stal. Al dat gezoem klinkt misschien als een hoop drukte om niks. Maar ondertussen wordt er hard gewerkt aan onze volgende oogst.

