Koetshuis
Tweehonderd jaar geleden was reizen een heel ander verhaal dan tegenwoordig. Geen auto's, geen bussen en geen treinen die je overal naartoe brachten. Wie een flinke afstand moest afleggen, ging te voet, te paard of met een koets. En dat laatste was lang niet voor iedereen weggelegd.
De wegen waren vaak niet meer dan zandpaden. Bij droog weer stoffig, bij regen veranderden ze in modderige sporen. Een reis die tegenwoordig een uurtje duurt, kon toen gemakkelijk een hele dag kosten. En onderweg moest je maar hopen dat je niet met een wiel in een diepe kuil terechtkwam.
Voor de koets had je natuurlijk paarden nodig. Op de boerderij waren dat vaak stevige werkpaarden, zoals de Belgische trekpaarden, die in Twente Belsen werden genoemd. Voor het trekken van een rijtuig gebruikte men liever wat lichtere, snellere paarden.
En dan moest zo'n paard ook nog worden aangespannen. Met een tuig, leidsels, riemen en gespen. Dat was een heel karwei. En wie daarbij de zaken verkeerd aanpakte, kreeg misschien wel te horen: Je moet het paard niet achter de wagen spannen! Een uitdrukking die we nog altijd gebruiken wanneer iemand de dingen in de verkeerde volgorde doet.
Maar niet iedere koets was hetzelfde. Voor ieder doel bestond wel een ander rijtuig.
Neem bijvoorbeeld de huifkar, ook wel zeilwagen genoemd. Daarmee werden goederen en voorraden vervoerd, bijvoorbeeld van en naar de markt. En bij bijzondere gelegenheden, zoals een bruiloft, werd de wagen feestelijk versierd met papieren roosjes. Dan was het ineens geen gewone boerenwagen meer, maar een feestelijk vervoermiddel.
De sjees was een heel ander rijtuig. Klein, licht en met twee grote wielen. Er was plaats voor twee personen. Een elegant vervoermiddel, waarmee je heel wat sneller vooruitkwam dan met een zware boerenwagen.
En dan de landauer. Dat was pas een deftig rijtuig! Een comfortabele koets met een kap die kon worden neergeklapt. Bij mooi weer reed je open, zodat iedereen kon zien wie er voorbij kwam. En bij slecht weer ging de kap omhoog. Vooral welgestelde burgers lieten zich graag in zo'n rijtuig vervoeren.
Ook voor het kerkbezoek bestonden speciale rijtuigen. De kerkwagen was een kleine, gesloten koets waarmee je ook bij regenachtig weer netjes in je zondagse kleren bij de kerk kon aankomen. Want het zou toch jammer zijn als je op weg naar de mis al helemaal doorweekt raakte.
Wie zelf geen paard of koets bezat, was aangewezen op andere mogelijkheden. De postkoets vervoerde niet alleen brieven en pakketten, maar nam soms ook reizigers mee. Onderweg kon bij een herberg van paarden worden gewisseld. Zo ontstonden de eerste vormen van geregeld personenvervoer.
In de steden verschenen later de omnibussen, grote door paarden getrokken rijtuigen waarin meerdere mensen tegelijk konden reizen. En ook tegenwoordig kun je nog wel eens een grote paardenwagen tegenkomen, een Jan Plezier. Niet meer om op tijd op je werk te komen, maar voor een gezellig tochtje door stad, bos of heide.
Kijk nog eens rond in dit Koetshuis. Al die verschillende rijtuigen vertellen iets over de mensen die ermee reisden. De boer met zijn handelswaar, het bruidspaar op weg naar een feest, de deftige burger die graag gezien wilde worden en het gezin dat op zondag naar de kerk ging.
En bedenk dan eens hoeveel werk er bij zo'n rit kwam kijken. Paarden verzorgen, inspannen, de koets onderhouden en onderweg de weg zien te vinden. Even snel ergens naartoe gaan was er niet bij.
Tegenwoordig stappen we in de auto, drukken op een knop en rijden weg. Maar vroeger begon iedere reis met dezelfde vraag: Zijn de paarden al ingespannen?
En als het antwoord nee was, dan kon je voorlopig nog wel even blijven zitten.

