Pauwenren
De pauw is een bijzondere vogel. Vooral het mannetje. Dat heeft een schitterend verenkleed met lange, kleurrijke sierveren. En als hij indruk wil maken op een vrouwtje, zet hij die veren wijd uit als een enorme waaier. Dat noemen we pronken. En pronken, dat kan een pauw als de beste.
Het vrouwtje, de pauwin, ziet er een stuk bescheidener uit. Zij heeft geen indrukwekkende sleep met sierveren, maar dat heeft een goede reden. Met haar onopvallende kleuren valt ze veel minder op wanneer ze op haar eieren zit te broeden.
En wist je dat die prachtige pauwenstaart eigenlijk geen echte staart is? De lange veren groeien op de rug, vlak vóór de staart. De echte staartveren zitten eronder en helpen de grote waaier overeind te houden. De natuur heeft er goed over nagedacht.
Maar mooi zijn is niet alles. Want wie denkt dat zo'n elegante vogel ook prachtig kan zingen, komt bedrogen uit. De roep van een pauw klinkt eerder als een luide, schorre schreeuw. En die kan behoorlijk ver dragen. Vooral in de paartijd laten de mannetjes graag van zich horen.
Pauwen kunnen trouwens ook vliegen. Niet bijzonder ver, maar wel hoog genoeg om bijvoorbeeld in een boom te overnachten. Dat doen ze van nature om veilig te zijn voor roofdieren. Je zou het niet verwachten van een vogel die zo'n enorme verenpracht met zich meesleept.
Oorspronkelijk komen de bekende blauwe pauwen uit Zuid-Azië, vooral uit India. Al eeuwenlang worden ze ook in Europa gehouden, onder andere bij kastelen, buitenplaatsen en op grote erven. Niet vanwege hun eieren of hun vlees, maar vooral vanwege hun schoonheid.
En zo hebben ook deze pauwen hun eigen plekje gekregen in het museum. Ze blijven in hun ruime ren, waar je ze rustig kunt bewonderen. Misschien heb je geluk en spreidt het mannetje zijn prachtige veren.
En doet hij dat niet? Ach, dan heeft hij vandaag blijkbaar geen behoefte aan bewondering. Ook een pauw heeft weleens een vrije dag.

